| Preek van de week | ||
| 25 december - Kerstpreek 2008 |
|
|
Lezingen:
Jesaja 9,1-6
U kunt
reageren |
|||||||||
|
De kracht van een weerloze liefde
In de beroemde roman ‘De gebroeders Karamazov’ staat een aangrijpende
passage. Eén van de broers (en niet de braafste) fantaseert hoe Jezus opnieuw op
aarde zou verschijnen. Hij vertelt hoe Jezus nog één keer onder het gewone volk
komt om zijn vragen en verdriet te delen en het moed in te spreken. Het verhaal
speelt zich af ergens in de 16de eeuw aan de stadspoort van Sevilla waar de dag
voordien nog een grote groep ketters onder grote belangstelling werd verbrand. Op het ogenblik dat Jezus verschijnt, wordt in een open
kistje een overleden kind de kathedraal binnengedragen. De moeder valt
voor Jezus’ voeten en smeekt hem haar kind weer tot leven te brengen. En
zoals 1500 jaar terug zegt Jezus opnieuw: talitha kumi – meisje sta
op. Iedereen roept en juicht. Maar juist op dat ogenblik komt de
hoogbejaarde kardinaal, tevens Groot-Inquisiteur, voorbij. Hij ziet wat er
gebeurt en laat Jezus arresteren. Die nacht bezoekt hij hem in de kerker.
En dan volgt een hallucinante passage waarin de inquisiteur vol bitterheid
uitlegt waarom hij Jezus heeft laten arresteren. ‘Wij hebben jou niet meer
nodig’, zegt hij hard. ‘Met je rebelse aard heb je niet het geluk gebracht
dat het volk zocht. Je bracht vrijheid, maar het volk kan die vrijheid
niet aan. Aan ons heb je de macht gegeven te binden en te ontbinden.
Welnu, wij, de organisatoren, wij hebben de kerk opgericht. Wij brengen de
vrede, de veiligheid en de zekerheid waarnaar het volk snakt. En jij bent
met je mentaliteit een hinder, een vervelende luis in de pels. Daarom moet
jij verdwijnen.’ Zo ongeveer sprak de Inquisiteur. Ik vermoed dat velen
onder u deze tekst kennen. Maar kent u ook het slot?
Toen de inquisiteur uitgepraat was, wachtte hij
enige ogenblikken op het antwoord van de Gevangene. Diens zwijgen viel
hem zwaar. Hij had gezien dat de Gevangene aldoor kalm en aandachtig
naar hem geluisterd en hem daarbij recht in de ogen gekeken had;
klaarblijkelijk had Hij geen in om iets terug te zeggen. De oude man
had gewild dat Hij hem een antwoord zou geven, al was dat ook bitter
en beangstigend. Maar plotseling komt Hij zwijgend op de oude
negentigjarige man toe en kust hem stil op zijn bloedloze lippen.
Daaruit bestaat zijn hele antwoord. De oude man huivert. Zijn
mondhoeken trillen even: hij gaat naar de deur, maakt ze open en zegt
tot Hem: "Ga weg en kom niet meer terug … nooit meer … nooit." En hij
geeft Hem de gelegenheid om te verdwijnen in de donkere straten van de
stad."
Zo eindigt één van de mooiste bladzijden uit de
wereldliteratuur. Op een indrukwekkende manier typeert Dostojewski de
persoon van Jezus. Als Iemand die niet roept, die zijn stem niet verheft,
die het geknakte niet zal breken, zoals reeds staat in de profetieën van
Jesaja. Het enige wat Hij brengt is een onverwoestbare, alles
doordringende liefde. Tegenover de Groot-Inquisiteur brengt Hij geen
argumenten. Zijn leven wordt niet beheerst door een grote theorie. Er is
enkel dat stille gebaar. This is a story beyond belief, schrijft
Jeffrey Robbins in het boek After the Death of God (Columbia Univ.
Press, 2007, p. 11). Niet toevallig heeft men in de postmoderne theologie
aandacht voor het slot van dit verhaal. Want deze nieuwe theologie is
vooral getroffen door het einde van de grote theorieën, door het
woordeloze, het stille, God voorbij God. Waarom? Hoe kon het zo ver komen?
Om dat te begrijpen moeten we even teruggaan in de geschiedenis.
We leven in een periode waarin de kerk haar
machtspositie heeft moeten opgeven. We leven in een tijd waarin de
geloofsleer als verklaring van alle grote levensvragen is ineengestuikt.
We maken mee hoe gelovigen een sociologische minderheid zijn geworden, en
religie aandacht krijgt van zoekers en godsdienstige daglozen. Toen het
christendom in 312 onder keizer Constantijn staatsgodsdienst werd, kreeg
de kerk een nieuwe functie. Tot dan bestond er een veelheid van verhalen
en leefden heel verschillende visies op de figuur van Jezus. De bisschop
van Rome was een primus inter pares en de Blijde Boodschap was een
houvast voor een zoekende minderheid. Maar vanaf dan werd alles anders. De
kerk werd de behoedster van een stabiele maatschappij en had geen
boodschap aan pluriformiteit. De Blijde Boodschap ging men vertalen in
Griekse begrippen. De greep op de samenleving en op de geest van
individuele gelovigen werd alsmaar groter. De kerk als instituut en het
geloof als systeem beheersten heel het leven, precies zoals de
Groot-Inquisiteur beschrijft.
Totdat vanaf de tijd van de Verlichting een
tegenbeweging op gang kwam, het individu zijn vrijheid opnieuw ging
opeisen, allerlei wetenschappen zich losmaakten van kerkelijke bevoogding
en de mens zelf wilde uitmaken wat hij als goed en kwaad beschouwde.
Sindsdien staat de kerk in het verlies en maakt ze tot vandaag mee hoe
haar invloed afbrokkelt en mensen steeds weer in een gezagsconflict raken.
Al dat verlies is volgens mij een zegen voor de
Bijbelse Boodschap. Want wat rest er nog? De onweerstaanbare kracht van
een weerloze liefde. Wat eeuwenlang uitgroeide tot een instituut dat
zogenaamd veiligheid en geluk moest brengen, verloor het contact met die
diepere boodschap van vrijheid en onberekend engagement. De geleidelijke
afbrokkeling van de laatste honderd jaar slaat velen met paniek, doet de
organisatoren naar het hoofd grijpen, maar bracht een intense zuivering op
gang waarvan we het einde nog niet in zicht hebben.
Welke God rest ons nog na de dood van God? Ik denk dat
het de God van de zelfontlediging is. De God die zich weerloos en zwak in
een mensenkind gegeven heeft, maar die daarbij ook de kant koos van alles
en iedereen die in een situatie van zwakte en onzekerheid verkeert. Een
God die zich weerloos aan mensen uitlevert en enkel in een zachtmoedige
begroeting aan het licht komt. De Jezus van Dostojewski die zijn vijand op
de mond kust.
Is dat niet de kern van dit Kerstfeest? In de
symbolische gestalte van een kind, in de persoon van de arme drommels van
herders en in het feestelijke gezang van de engelen wijst Lucas op de
totale geboorte, die moet plaats hebben: in ons en om ons heen. Een nieuw
begin op alle niveaus: in ons hart, in onze directe omgeving, in ons land,
over heel de wereld. Kerstmis kondigt de geboorte aan van een nieuw
menstype en van een nieuwe geboorte van de Godheid in elk van ons.
Verschenen is de mildheid en menslievendheid van onze God.
Marcel Braekers o.p.. |
| |