Johannes had eigenlijk een andere naam moeten krijgen.
Maar volgens de legende van het kindsheidsevangelie had zijn vader vanwege
God het bevel gekregen hem zo te noemen: 'Jahwe is genadig'. Die naam gaf
zijn levensprogramma aan. Hij moest Gods genadigheid waarmaken. Zijn vader
had het volgens de evangelist goed begrepen. Hij zei het in zijn dankend
gebed. "En jij, mijn jongen, zult profeet van de Allerhoogste worden
genoemd, want je zult voor de Heer uit gaan om de weg voor hem gereed te
maken. Om zijn volk te leren hoe ze gered kunnen worden door de vergeving
van hun zonden, dankzij de innige barmhartigheid van onze God" (Lucas
1,76-78).
Men heeft Johannes de bijnaam 'de Doper' gegeven. De
joden doopten regelmatig zichzelf, zoals ook christenen nog altijd doen
als ze hun vingers in wijwater dompelen en een kruisteken maken. Maar de
joden dompelden zich helemaal onder in een bad om zich ritueel te
zuiveren. Johannes heeft die praktijk omgevormd. Hij riep de mensen op om
zich door hem te ląten dopen als teken van hun bekering en om vergiffenis
van zonden te krijgen. Niemand kan zichzelf reinigen van schuld. Om je te
kunnen bekeren heb je hulp nodig van anderen die Gods genadigheid
bemiddelen.
Toen Jezus zich liet dopen heeft Johannes hem herkend.
Hij was het die komen moest, hij voor wie de weg gereed moest worden
gemaakt. Hij heeft hem aangewezen: hij is het, de messias, door God
gezalfd, die ons volk werd beloofd. Op zijn aanwijzing beslisten twee
leerlingen van hem leerling van Jezus te worden (Johannes 1,35-37). In de
christelijke kunst wordt Johannes dikwijls afgebeeld als de Wijzende: met
een uitgestrekte vinger van zichzelf weg wijzend naar Jezus. Let niet op
mij, kijk naar hem! Een van de mooiste voorbeelden staat op de triptiek
van Matthias Grünewald in het museum Unterlinden van Colmar.
Toen Johannes in de gevangenis zat is hij door twijfel
overvallen. Had hij zich niet vergist? Was het Jezus wel die komen moest?
Moeten we toch niet uitkijken naar iemand anders? Vanuit de gevangenis
liet hij bij Jezus navraag doen. Jezus antwoordde door te verwijzen naar
de tekenen die hij verrichtte (Lucas 7,20-23). Het moet voor Johannes een
opluchting geweest zijn. Hij kon met een gerust hart zijn dood tegemoet
gaan. Zijn leven was niet vergeefs geweest.
Je moet niet Johannes heten om de betekenis van zijn
naam op jezelf toe te passen. Moet niet iedere gelovige het tot zijn of
haar taak rekenen van Gods genadigheid te getuigen en ze zelf te helpen
bewerken? Je moet helemaal geen doper te zijn om mensen erop te wijzen dat
ze bekering nodig hebben en duidelijk te maken wat dit van hen vraagt. Je
hoeft helemaal geen profeet te zijn om voor mensen de wegen te effenen
waarlangs ze Gods genade kunnen ervaren en zelf aan anderen genade te
betonen. Wellicht moet je beginnen met het opruimen van barricades die je
zelf opwerpt, van verschansingen rond je ego, opdat God in je leven tot
zijn recht kan komen.
Er zijn tegenwoordig mensen die met een zelfde soort
vragen zitten als Johannes in de gevangenis. Is het christelijk geloof het
enige ware geloof? Herken ik wat ik werkelijk geloof in de leer van de
kerk? Vind ik bij haar het antwoord op mijn levensvragen? Er zijn er die
uitkijken naar andere profeten, profane profeten ook, met een boodschap
over wegen naar levensvervulling en echt geluk.
Een
christelijke reactie op vragen en verlangens van die aard moet het
evangelie kunnen inroepen en tekenen kunnen aanwijzen waardoor het wordt
bevestigd. Mensen die weer kunnen zien en die van hun doofheid genezen
worden, mensen die weer tot leven komen, arme mensen, arm in alle
betekenissen van het woord, die verheugend nieuws te horen krijgen. Er
zijn plaatsen waar zulke tekenen zijn te zien. Maar men moet ze willen
zien. Er zijn mensen door wiens toedoen zulke tekenen gebeuren. Mensen aan
het werk op plaatsen waar getoond wordt hoe de belofte van het evangelie -
Gods koninkrijk dat komt - in vervulling gaat.
B.J. De Clercq o.p.