Eerst de ontgoocheling. Terug naar hun vroegere bezigheden. Zo zegt
Petrus het: "Ik ga terug vissen". En die anderen "dan gaan wij mee". Hun
tijd met Jezus is mooi geweest, maar nu blijkt dat ze zich vergist hebben.
En opnieuw: zolang ze opgesloten blijven in hun ontgoocheling, bedrukt en
verloren, komen ze er niet uit. Er is een nieuwe ontmoeting nodig. Een nieuw
woord dat hen de ogen opent en tot inzicht brengt. Gooi het net uit. Maar
niet zoals jullie dat gewoon waren. Op een andere manier. De vroegere manier
van doen levert niets op. Is niet vruchtbaar. Er is een nieuwe manier van
doen nodig. Gedragen, door het woord van Jezus: die brengt een wonderbare
opbrengst voort. Ongelooflijk veel vissen: 153. Dat zijn alle vissoorten die
in die tijd bekend waren. Niemand valt nog uit de boot. Allen laten zich op
sleeptouw nemen door de boodschap van Jezus.
Het was op dit woord van Jezus dat een nieuwe gemeenschap ontstond. Mensen
gaven zich gewonnen. Ze lieten hun vroegere overtuiging voor wat die was.
Petrus sprong in het water. Hij waagde zich aan het avontuur. Hier wordt
kerk geboren. Waar mensen zich wagen aan de levensstijl van Jezus. Een
avontuur. In het water kun je verdrinken. Dat had Petrus wel eerder ervaren
toen de storm woedde op het water. Toen kon hij zich niet toevertrouwen aan
het woord van Jezus dat hem toeriep naar hem toe te komen over het water. Nu
sprong hij uit eigen initiatief in het water. Symbool voor een beweging in
navolging van Jezus. Waar het hem brengen zou was nog helemaal niet
duidelijk. Maar het gebaar was dat wel. Het was een ondubbelzinnige keuze.
En inderdaad. Kort na Jezus’ dood zien we allerlei gemeenschappen
ontstaan. Op verschillende plaatsen. Alle dragen ze het kenmerk van die
nieuwe levensstijl. Zo horen we het in de Handelingen van de apostelen.
Mensen brengen hun goederen samen om ze te verdelen volgens ieder behoefte.
Geen noodlijdende onder hen. Zieken worden genezen dankzij de attente zorg
van medemensen. Zo komen her en der gemeenschappen van de grond die de droom
van Jezus handen en voeten geven. Het is aanvankelijk geen wereldwijde
organisatie. Geen machtig instituut dat invloed wil hebben. Geen kerk die
wil meedoen in het spel der groten van deze aarde. Het is veeleer een
beweging die verschillende gestalten aanneemt al naargelang de plaats van
ontstaan. Een beweging die soepel genoeg is om zich voortdurend aan te
passen aan de cultuur en de plaats waar ze wortel schiet. In Rome op zijn
Romeins, en in Athene op zijn Atheens, en in Antiochië op zijn Antiocheens.
Niet de structuur is het voornaamste. Wél het levensvoorbeeld van Jezus. Hem
ervoeren zij als levende presentie in hun midden.
Toen die kerk zich later onder staatscontrole liet nemen en tot een
sterke organisatie uitgroeide, kwam Petrus in een steeds moeilijker parket
terecht. Hij kon niet langer onbevangen in het water springen zoals hij het
aanvankelijk deed. Hij diende eerst een mijter op te zetten en een ring aan
te doen en een Romeinse mantel, en dat maakte het zwemmen moeilijk.
Natuurlijk is een zekere organisatie onvermijdelijk. Maar vandaag hebben
we toch de indruk dat het instituut heel zwaar doorweegt, en soms zelfs een
doel op zich geworden is. Het bidden om priesterroepingen die zich schikken
binnen de richtlijnen van dat instituut is dan ook erg problematisch
geworden. Misschien is er meer behoefte aan de verdieping van het
priesterschap van heel de gemeenschap. Die weg zijn we nu reeds
verschillende decennia ingeslagen. Het is een weg waarin de nood van de
geloofsgemeenschap voorop stond. Toegewijde mannen en vrouwen hebben zich
die nood aangetrokken. Zij verwierven een eigen statuut binnen de
kerkorganisatie. Diep gravende studies van theologen en exegeten over de
kwesties van ambten en voorgangers en voorgangsters werden ten overvloede
gepubliceerd. Daaruit bleek dat ambten geëvolueerd zijn in de loop van de
geschiedenis. Er is geen concrete ambtsvorm die zomaar teruggaat op een
woord van Jezus.
Het fundamentele gegeven is de geloofsgemeenschap. Dat is de basis. Op
die basis wordt het instituut gebouwd. Het is de geleefde geloofsbasis waar
kerk van leeft. Niet de toevallige ambtsvormen zoals die heden vorm gekregen
hebben. Niet het ambt draagt de kerk, maar de kerk draagt alle ambten (Houtepen).
Het is dan ook de bevoegdheid van de kerk om zelf te voorzien in de ambten
die aangepast zijn aan deze tijd.
Centraal staat steeds de gedeelde geloofsbezieling die voortspruit uit de
ontmoeting met de verrezen Christus. Daartoe zijn we hier samen als
geloofsgemeenschap. Laten we ons van harte voeden aan zijn woord en zijn
tafel om steeds hechter met hem verenigd te worden.
Ignace D’hert o.p.