| Preek van de week |
| 25 november - vierendertigste zondag |
|
|
Lezingen: U kunt
reageren
|
||||
|
Een gekruisigde koning
We kunnen niet zeggen dat Jezus zich koninklijke allures heeft
aangemeten. Hij is zelfs een keer de bergen in gevlucht toen een
enthousiaste menigte hem tot koning wilde uitroepen. Hij is wel
koning genoemd. Al vóór zijn geboorte heeft een engel aan zijn
toekomstige moeder aangekondigd dat haar zoon bestemd was om 'tot
in eeuwigheid koning' te worden (Lucas 1,33). En toen hij aan het
einde van zijn leven de hoofdstad Jeruzalem binnentrok, werd hij
toegejuicht als de gezegende die kwam als koning in de naam van de
Heer. Maar niet veel later hing hij als een misdadiger aan een
kruis te sterven. Uitgerekend het evangelieverhaal van zijn
kruisdood wordt gelezen op het liturgisch feest van Christus
koning. Een verrassing die te denken geeft. Eén keer maar heeft Jezus gezegd dat hij koning was, en
dan nog niet uit eigen beweging maar omdat Pilatus het hem vroeg.
Misschien heeft Pilatus gedacht: nu heb ik hem! Maar hij vergiste zich.
Jezus nuanceerde: koning, u zegt het, maar mijn koningschap hoort niet bij
deze wereld (Johannes 18,36). Hij heeft wel zijn hele actieve leven lang
over het 'koninkrijk van God' gesproken. Zijn koningschap stond in dienst
van dit koninkrijk. Hij heeft er met geestdrift en vuur aan de mensen over
verteld zodra hij begon te preken. "De tijd is aangebroken, het koninkrijk
van God is nabij. Bekeer u, geloof in dit goede nieuws!" (Marcus 1,15). In
een beeldrijke taal heeft hij beschreven hoe het zou groeien als zaad dat
in vruchtbare grond valt, als een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een
boom, als een stukje gist dat het deeg doet rijzen. Hij heeft het
vergeleken met een bruiloftsfeest waarop de plaatsen van de genodigden die
het laten afweten ingenomen worden door zwervers en bedelaars, door mensen
die op straat of in de goot leven. Het koninkrijk dat hij voor God heeft
verworven wordt vandaag in verheven termen beschreven aan het begin van
het eucharistisch tafelgebed: een koninkrijk van waarheid, heiligheid en
liefde, recht en gerechtigheid, een koninkrijk van vrede. Jezus heeft er
zijn leven voor gegeven.
Het kruisbeeld is het symbool bij uitstek van alle
christenen. Overal waar mensen ernaar kijken, zien ze
een man die koning werd genoemd. Het stond boven zijn hoofd op een houten
plankje geschreven in de drie talen van het kosmopolitische Jeruzalem. De
hele wereld moest het weten. Koning, maar met een kroon van doornen en
zijn naakte lichaam door geselslagen gestriemd. Het volk stond toe te
kijken toen hij hing te sterven. Verbijsterd misschien, of belust op
sensatie? De leiders hoonden hem. Red nu ook maar jezelf, je bent toch de
messias? En de soldaten: als je koning bent, kun je toch jezelf redden van
dat kruis! Misschien had hij dat gekund, maar hij wilde het niet. Hij
heeft wel een van de bandieten die naast hem aan een kruis hingen te
sterven gered. Hij beloofde hem: vandaag nog kom je met mij in het
paradijs. 'Paradijs' is een Perzisch woord dat 'tuin' betekent en in zijn
Griekse vertaling verwees naar de Tuin van Eden. Wij spreken van het
'aards paradijs', maar bij Lucas gaat het om de oorspronkelijke
gelukzaligheid die in haar volle gaafheid hersteld is. In paradisum
wordt er gezongen aan het einde van een uitvaart als het dode lichaam uit de kerk wordt
weggedragen. Naar de definitieve verblijfplaats van de gelukzaligen.
Het feest dat vandaag wordt gevierd is niet dat van
Jezus koning, maar Christus koning. Eigenlijk moeten we eerst
zeggen: Jezus de christus, d.i. de gezalfde, de messias. Hij was de
lijdende messias die tot in zijn dood slachtoffer van macht en
rechtsverkrachting is geweest, en daarom kan hij anderen uit dit lijden
redden. Maar nu noemen we hem de verheerlijkte Christus die deelt in de
koninklijke heerschappij van God.
Wat vandaag wordt gevierd is het vooruitzicht dat eens
volledig zal vervuld worden wat christenen bidden in het Onzevader: 'Laat
uw koninkrijk komen en uw wil gebeuren op aarde als in de hemel.' Ze
kijken we vooruit, ze geven uitdrukking aan de hoop dat de gerechtigheid
van Gods rijk aan het komen is. Ze laten zich niet overmannen door
pessimisme over alles wat verkeerd loopt in de wereld. Ze vieren de
gelovige zekerheid dat het onder mensen aan het groeien is, het rijk van
God, op veel plaatsen, onmerkbaar misschien maar onweerstaanbaar, als
talrijke mosterdzaadjes, als stukjes gist die deeg doen rijzen. Het is aan
het groeien overal waar mensen gerechtigheid doen, op welke bescheiden
schaal ook, waar vrede wordt gesticht, hoe broos misschien ook, waar
vergiffenis wordt gevraagd en gegeven, waar schuld wordt uitgewist en
mensen zich met elkaar verzoenen. Ze worden niet ontmoedigd worden als het
hen niet lukt. De macht van Gods vergevinsgezindheid is sterker dan alle
kwaad. Inspiratie is geput uit H.J.
van Ogtrop, In het
leerhuis van Lucas, Tabor, 1991, p. 182-186.
B.J. De Clercq o.p. |
| |