Volgens de joodse wet moesten er minstens tien mannen
in de synagoge aanwezig zijn om de sabbatdienst te vieren. Met tien
vertegenwoordigden ze de hele gemeenschap. Tien melaatsen kwamen Jezus
tegemoet en riepen vanop een afstand: 'ontferm u over ons!'. Tien moeten
we hier symbolisch verstaan. Lucas wil zeggen: de hele gemeenschap is
ziek, ze heeft genezing nodig.*
Jezus stuurde de melaatsen naar de priesters in de
hoofdstad om zich te laten zien. Wij zouden zeggen: ga naar het stadhuis
een papier halen met de nodige handtekeningen en een officiële stempel
erop. Onderweg werden ze gereinigd. Minder spectaculair kan een
genezingswonder niet gebeuren. Beschreven in vier woorden. Dat was heel
anders dan bij de Syrische legeroverste. Die moest naar het buitenland,
naar de Jordaanrivier trekken en er zich zeven keer in onderdompelen om
van zijn melaatsheid genezen te worden. Wij zouden zeggen: Naar Lourdes en
zich wassen of onderdompelen in het Lourdes-water. Uit dankbaarheid nam de
Syriër een karrenvracht aarde mee naar huis om op Joodse bodem de ware God
te kunnen vereren.
In het verhaal van het evangelie was er maar één van de
tien die zich dankbaar toonde. Een Samaritaan nog wel. Hij zag dat hij
genezen was, Hadden de negen andere het niet gezien, of vonden ze het te
vanzelfsprekend om er aandacht aan te schenken? De Samaritaan ging niet
naar de tempel, hij keerde op zijn stappen terug om op zijn knieën Jezus
te danken en God te loven. De negen andere konden officieel genezen
verklaard worden, maar verder konden ze in de tempel niets gaan doen. Ze
waren maar met negen. De vreemdeling, de andersgelovige ontbrak. Ze waren
wel genezen maar niet, zoals de Samaritaan, door hun geloof gered. Hun
geloof bleef ziek. Ze hadden Jezus ontgoocheld. Hij zij het uitdrukkelijk:
konden ook zij niet komen om God eer te bewijzen, waar zijn ze gebleven?
De twee Schriftlezingen maken duidelijk dat God geen
verschil maakt tussen de mensen. Hij trekt niet de lijnen en grenzen die
mensen trekken. Dat hebben de Syriër en de Samaritaan aan den lijve mogen
ondervinden. En ze hebben hem geëerd en met nadruk gedankt.
Het evangelie doet ons vragen stellen over de grenzen
die wij trekken. Tussen de mensen die aan onze kant staan en diegenen aan
de andere kant. De verkeerde kant. Over de voorwaarden die we stellen om
tot de mensen aan onze kant te kunnen behoren. We moeten ons afvragen wie
bij ons 'de Samaritaan' is, de tiende man die we nodig hebben om God op de
juiste manier te kunnen eren en danken.
Over dankbaarheid gesproken. Dankbaarheid is de reactie
van iemand als hij ondervindt dat iets hem wordt geschonken. We zeggen
iedere dag vele keren 'dank u wel'; als iemand de deur voor ons openhoudt,
als ons een kop koffie of een drankje wordt aangeboden, als we in de
winkel pasmunt terugkrijgen, enzovoort. Dat is gewone beleefdheid. Maar
iets anders is een dankbare levenshouding. Soms hoor je mensen zeggen: ik
ben niemand dank verschuldigd. Alles wat ik heb, heb ik zelf verdiend. Ik
heb ervoor gewerkt. Ik heb het met eigen centen gekocht. Maar dat is
vreselijk kortzichtig. Op duizenden manieren zijn we aangewezen op de
welwillendheid van medemensen. We zijn opgenomen in talloze netwerken van
solidariteit. Wie ziek wordt, ondervindt de diensten van een doelmatige
medische organisatie en de steun van de ziekteverzekering. Wie werkloos
is, krijgt een uitkering, wie ergens in nood komt, kan de hulp van de
politie inroepen. Als we iets te kort hebben, vinden we niet ver uit de
buurt wel een winkel waar we het ons kunnen aanschaffen. U zal zeggen:
natuurlijk, dat is omdat we dat allemaal zo georganiseerd hebben, en ik
betaal ervoor. Inderdaad, ik betaal mee voor anderen en anderen betalen
voor mij, en al die systemen werken maar omdat mensen hun werk doen. Voor
eigen gewin zal u zeggen. Jawel, maar in dienst van hun medemensen.
Het is goed dat we ons dat alles af en toe
uitdrukkelijk realiseren. Dat we, zoals Paulus in een van zijn brieven
schrijft, eigenlijk niets hebben dat we niet hebben gekregen. Het is goed
dat we als gelovigen regelmatig samenkomen om God te danken, om zijn grote
daden, om al die dingen die ons te beurt vallen, de dingen die ons goed
doen doordat goede mensen ervoor zorgen dat wij ze ontvangen. Omdat wij
ervoor mogen zorgen dat medemensen goed wordt gedaan. Wij doen dat in elke
eucharistie. Vandaag is het een gelegenheid om daar extra attent voor te
zijn.
J. Andersen