| Preek van de week |
| 30 september - zesentwintigste zondag |
|
|
Lezingen: U kunt
reageren
|
|||
|
Rijkdom en armoede vormen reeds van
oudsher een probleem. Rijkdom op zichzelf is al een probleem, zo
ook armoede, en de verhouding tussen beide vormt nog het grootste
probleem. Mensen weten niet hoe omgaan met rijkdom en armoede. Ze
doen onzinnige dingen, sluiten zich op in zichzelf, in hun eigen
wereldje. Rijkdom en armoede jaagt mensen uit elkaar, zet mensen
tegen elkaar op, richt muren op tussen mensen en gemeenschappen.
Iedere dag bijna wordt ons dit probleem voor de voeten geworpen,
langs diverse media; vaak worden we er ook persoonlijk mee
geconfronteerd. Die schrijnende kloof tussen rijk en arm, arm en
rijk, lokt allerlei reacties uit. Bij de een leidt het tot
ontgoocheling, ontmoediging, verbittering; bij de ander roept het
heel wat frustraties op. De woorddienst van deze zondagsviering gaat eveneens
over rijken en armen. In het evangelie weerklinkt een zelfde boodschap, zij
het op een andere manier gebracht. Lucas vertelt de overbekende parabel
van Jezus over de rijke vrek en de arme Lazarus. Het is een parabel vol
tegenstellingen en omkeringen, zoals we die vaak in het evangelie
aantreffen: Meer speciaal is deze parabel een illustratie van de
tegenstelling tussen rijk en arm zoals die wordt verwoord in de
zaligsprekingen: ‘Zalig die nu arm zijt…, en wee u die rijk zijn…’ (Lucas
6,20.24). Een illustratie ook van de omkering die in de lofzang van Maria
wordt aangekondigd: ‘Wie honger heeft, overlaadt hij met gaven, maar
rijken stuurt hij weg met lege handen’ (Lucas 1,53). Meer dan de andere
evangelisten samen neemt Lucas het op voor de armen. Zijn oproep is dat
wij de armen een geen enkel geval aan hun lot mogen overlaten.
Zoals meestal het geval is in de parabels, bestaat ook
deze parabel uit twee taferelen. Enerzijds wordt de zichtbare, concrete
wereld geschetst, de wereld zoals wij die zien, voelen, tasten, ervaren,
meemaken en waartoe wij behoren. In concreto gaat het om de wereld waarin
de rijken alsmaar rijker worden en de armen alsmaar armer, waar de rijken
zich zelfgenoegzaam verlustigen in hun rijkdom en de armen worden
uitgebuit en onderdrukt; ze zinken al maar verder weg in de afgrond.
Anderzijds wordt een wereld voorgesteld zoals God die droomt en zoals
Jezus die heeft gepropageerd. Hij noemt die wereld het rijk van God. Jezus
stelt het in de parabel zo voor dat in die wereld de afstand tussen de
rijke en de arme blijft, maar dat de rollen zijn omgekeerd. De armen
zullen aan hun trekken komen en het goed hebben, de rijken niet.
Ik zou deze parabel ietwat willen verduidelijken aan de
hand van twee verhalen. Het tweede tafereel vinden we terug in het verhaal van
de heilige Dimitri. Van hem wordt verteld dat hij een afspraak had met God
in de woestijn. Die wou hij zeker niet missen en hij spoedde zich naar de
plaats waar God hem zou opwachten. Onderweg ontmoette hij een arme boer
die met zijn kar was vast gereden in de modder. Hij kpn toch zomaar niet
voorbij hollen. Hij begon samen met die arme man aan die kar te trekken en
te sleuren om haar uit de modder te bevrijden. Dat kostte echter veel
inspanning, veel zweet en veel tijd. Toen de boer geholpen was en verder
kon, rende ook Dimitri voort naar de plaats van afspraak. Maar hij kwam te
laat. God was er niet meer, God was weg. Of liever: God was hem tegemoet
gekomen in de gestalte van die arme boer. In de parabel wordt niet die
rijke maar enkel de arme bij naam genoemd: Lazarus. Lazarus betekent: God
helpt je. De heilige Dimitri komt overeen met Lazarus: God helpt je.
Door deze parabel wil Jezus een brok leven schetsen.
Telkens als we ons huis uitgaan stappen we langs veel onbekend leed,
wanhoop, eenzaamheid, ellende, lijden naar geest en lichaam. Vaak zijn we
als die rijke die door onze onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid de
anderen niet zien, niet horen, …
Jan Arnouts o.p. |
| |