In het evangelie dat we vandaag lezen, vragen enkele
mensen aan Jezus: ‘zijn het er veel die gered zullen worden?’ In die vraag
zit een meer specifieke vraag verborgen: ‘zal ik gered worden?’
Is dat een vraag die ons nú nog bezighoudt? Velen onder
ons hebben vroeger donderpreken beluisterd. Niemand dacht toen dat hij of
zij de hemel ging binnen geraken, maar zag zich branden in de hel of het
vagevuur. Ondertussen zijn de tijden veranderd en diegenen die nog geloven
in het eeuwige leven, denken wel een toegangskaartje tot de hemel op zak
te hebben.
‘Zijn het er velen die gered zullen worden?’ Ook voor
ons geldt het antwoord van Jezus: ‘Doe alle moeite om door de smalle deur
binnen te gaan, want velen zullen proberen naar binnen te gaan en er niet
in slagen.’ En misschien denken velen onder ons nu: ja maar, ik ben toch
een goed mens, ik heb nog niemand vermoord, ik werk hard voor om mijn
gezin te kunnen onderhouden, ik doe met mijn vrienden regelmatig een
terrasje, ik ga regelmatig met de ene of de andere eens gezellig shoppen,
ik ga tijdens het weekeinde naar de mis, ik ga tijdens mijn vakantie wel
eens een kerk binnen, enz.
‘Zijn het er velen die gered zullen worden?’ Jezus
verspilde er niet veel woorden aan. Hij somde niet op wie er allemaal wél
gered zal worden. Hij vatte in één woord samen wie niet gered wordt. En
ook al zijn we niet meer gewoon zo te denken en te spreken, toch staat er
in de laatste nieuwe bijbeluitgave in vers 27 van het evangelie van
vandaag dat Jezus zei: ‘Weg met jullie: RECHTSVERKRACHTERS’.
Rechtsverkrachters: mensen die geen recht doen aan hun
medemens. Mensen die in hun medemens niet een broer of een zus zien, maar
het voordeel dat ze er kunnen uit halen. Mensen die voor anderen enkel
vriendelijk en lief zijn als ze er zelf profijt bij hebben.
Tegengesteld aan rechtsverkrachters zijn rechtvaardig
mensen: mensen die vaardig zijn in het recht doen aan anderen, die het
recht van anderen op een menswaardig leven beschermen en bevorderen. Elke
mens, waar ook ter wereld, welke ook zijn of haar huidskleur en leeftijd
is, heeft basisrechten: voeding, woonst, kleding, onderwijs, werk,
gezondheidszorgen, enz. Gerechtigheid doen betekent die basisbehoeften van
anderen beschermen en bevorderen. Gerechtigheid betekent: zo leven dat de
ander er beter van wordt. De toets daarvoor zijn dan niet de
vooraanstaanden in onze wereld of de rijksten, maar de armsten en diegenen
die aan de rand van de maatschappij leven. Elke fraude, hoe kleinschalig
ook, is altijd ten koste van de armsten, van diegenen die het met het
minimum of met minder dan het minimum moeten doen. Wij, christenen, als we
ons zo tenminste willen blijven noemen, zouden moeten leren denken vanuit
de armsten, vanuit de mensen die leven aan de rand van onze maatschappij,
vanuit die mensen die het moeten stellen met de restjes van onze
consumptiemaatschappij.
Onlangs las ik een boek over het leven van de heilige
Elisabeth van Thuringen. Deze adellijke dame leefde aan een rijk hof. Ik
lees in het boek: ‘Elisabeths aandacht werd erop gevestigd, dat het hof
grotendeels leefde van afgeperste goederen. Haar geweten ontwaakte en ze
maakte daartegen bezwaar. Ze wilde niet in haar levensonderhoud voorzien
door het beroven en plunderen van de armen, zoals dat aan vorstenhoven
heel gewoon was. Voortaan vroeg ze aan tafel naar de herkomst van de
opgediende spijzen en wilde weten of die uit het rechtmatige bezit van de
landgraaf kwamen of door afpersing waren verkregen. Was het eerste het
geval, dan zei zij: ‘Hoera, vandaag kunnen we eten en drinken!’. Zei men
haar echter, dat er onrechtmatig verkregen spijzen op tafel stonden, dan
wees zij al het opgediende af en bleef hongerig aan tafel zitten. Deze
gedragswijze nam zij nauwgezet in acht en zij liet zich er niet van
afbrengen.’
Goede vrienden in het geloof, als ik mijn eigen preek
hoor, zinkt me de moed in de schoenen. Is het wel mogelijk gered te
worden, door die enge poort te geraken? Ja, goede vrienden, het is
mogelijk. De kunst is te ontdekken welke kleine stap we kunnen zetten. De
kleine stap die ons geweten wakker houdt. Bijvoorbeeld: wie op
ziekenbezoek gaat, of zich inzet voor de derde of vierde wereld, voor
mensen zonder papieren, voor invaliden, voor vluchtelingen, voor de arme
boeren in het Zuiden, enz., ontdekt de onrechtvaardigheden van onze
maatschappijen. Die ontdekking kan hun geweten zó wakker schudden dat ze
anders gaan leven, zo gaan leven dat die zieken of die mensen uit de derde
of vierde wereld er beter van worden. Ze worden vaardig in het recht doen
aan anderen.
Beste vrienden in het geloof, ‘wanneer eindigt voor
ons, christenen, de nacht en begint de dag?’ Wanneer wij in het gezicht
van de arme en behoeftige medemens een broer of zus erkennen.
M.-Louise Verlinden.