"Vrees niet, kleine kudde." Toen Lucas dit schreef,
waren er al op veel plaatsen gemeenschappen van christenen, maar overal
vormden ze een kleine minderheid die blootstond aan bedreigingen van
buitenaf en leed onder interne verdeeldheid. Maar ze hadden goede redenen
om niet bevreesd te zijn. God had hun een grote schat geschonken: niets
minder dan zijn koninkrijk. Vroeg of laat zou het hen te beurt vallen.
Naar die schat moesten ze hun hart laten uitgaan.
Vrees niet kleine kudde: het kon ook vandaag geschreven
zijn. Op veel plaatsen vormen christenen, en zeker kerkgetrouwe
katholieken, een klein geworden minderheid. Ze moeten niet vrezen voor
bedreigingen van buitenaf, ze vrezen voor hun toekomst. Volgens menselijke
maatstaven ziet die er somber uit. Maar volgens het evangelie hebben ze
geen redenen om te vrezen, als ze tenminste oog en hart hebben voor de
kostbare schat van Gods koninkrijk. Daar komt het op aan.
Gods koninkrijk: we nemen die woorden gemakkelijk in de
mond, sommige predikanten om de haverklap. Maar wat stellen we er ons bij
voor? Meestal waarschijnlijk niets. Het staat nochtans in het onzevader,
als we er even over nadenken. Gods koninkrijk is het gebied waarbinnen
zijn naam wordt geheiligd en zijn wil wordt gedaan. Dat gebeurt uiteraard
in zijn hemel, maar ook binnen de ruimte waarin we nu leven, waar bij
wijze van spreken de hemel op aarde komt.
Misschien zegt u: als dat al gebeurt, valt er toch
weinig of niets van te bespeuren. Volgens het evangelie zien we het niet
omdat we er niet met een onverdeeld hart op betrokken zijn. Waar je met je
hart bent, daar is je schat. Maar als er gesproken wordt over een hemel op
aarde zullen weinig mensen denken aan Gods koninkrijk. Onlangs kwam
uitgebreid in de media dat de Vlamingen volgens de jongste statistieken
tot de rijkste Europeanen behoren. Misschien niet tot de gelukkigste, maar
daarover valt uit zulke statistieken niets af te leiden. Hoe ook, voor
buitenstaanders, en misschien ook voor henzelf, lijkt dit wel de hemel op
aarde. En daarbij denken ze niet direct aan Gods koninkrijk.
Volgens Matteüs 13,44 is Gods koninkrijk een verborgen
schat. Je moet er een fijne neus - een fijngevoelig hart - voor hebben om
hem te ontdekken. Alleen wie zuiver van hart is kan God zien waar hij zich
toont en aan het werk is (Matteüs 5,8).
Lucas zegt het anders. Hij spreekt
van verwachten, wachten en waakzaamheid. Wie met heel zijn hart op Gods
koninkrijk staat afgestemd, geeft niet toe aan ontmoediging omdat er niets
lijkt van te merken. Hij wordt het wachten niet beu en zit intussen zijn
tijd niet te verdoen. Hij blijft er met brandende lampen gespannen naar
uitkijken en herkent dan ook de tekenen waarin het verschijnt.
Veel moeilijker ligt het met de radicale uitspraak van
Lucas over materiële rijkdom: alles verkopen en als aalmoes weggeven. Maar
er zit een diepe waarheid in. Als je je hart aan Gods koninkrijk hebt
verpand, zal je het losmaken van zijn gehechtheid aan alle andere schatten
die minder waard zijn. Je zal ze waarderen en er gebruik van maken in het
licht van die ene overtreffende schat. Dat noemt het evangelie het wijze
rentmeesterschap. Het is een lastige opgave en het zal je wel nooit
helemaal lukken, maar je probeert met vallen en opstaan te volharden.
Waar ligt onze schat? Het is goed dat we het ons
regelmatig afvragen. Het hangt af van de gerichtheid van ons hart. Daarom
is het goed in eigen hart te kijken. In ieder mensenhart zit
verdorvenheid. Een vertroebeld hart maakt doof en blind. Het verstopt de
toegang tot God en de medemens. We moeten ons hart willen zuiveren en zijn
richting bijsturen. Een zuiver en liefhebbend hart ziet scherper dan een
nuchter verstand. Als we het zuiver afstemmen op Gods koninkrijk, zien we
scherper waar zijn naam wordt geheiligd en zijn wil wordt gedaan. Dat
gebeurt op veel plaatsen en veel manieren. Niet alleen in de kerk waar
gelovigen 'Heilig, heilig, heilig' zingen en waar de voorschriften van de
kerkelijke moraal worden nageleefd. Het gebeurt overal waar mensen er zich
op toeleggen zo goed te zijn als God, ook als ze zijn
naam niet noemen.
Als we met ons hart bij Gods koninkrijk zijn en het
onzevader blijven bidden, mogen we erop vertrouwen dat zijn tekenen zullen
herkennen waar het gebeurt. We kunnen ze ook tonen aan anderen die door
vrees en ontmoediging bevangen zijn. En we zien ook hoe we er het onze
kunnen toe bijdragen opdat Gods naam wordt geheiligd en zijn wil wordt
gedaan.
B.J. De Clercq o.p.