| Preek van de week |
| 22 juli - zestiende zondag |
|
|
Lezingen: U kunt
reageren
|
|||
|
Vrouwen evenzeer als mannen
Eigenlijk hoort hier een vrouw te staan om te preken. Na een
verhaal waarin, naast Jezus, enkel vrouwen voorkomen, heeft zij in
eerste instantie recht van spreken. Het moet gezegd dat vrouwen
hier en daar weliswaar de kans krijgen het woord te voeren, van
een echte gelijkwaardigheid is er binnen de huidige kerkstructuren
geen sprake. En volgens mannen met gezag kan dat ook niet. De evangelist Lucas is nochtans duidelijk. Het is met
veel nadruk dat hij vrouwen ten tonele voert. Dat paste helemaal niet
binnen de omgangsvormen van die dagen. Blijkbaar weet Lucas nog heel goed
dat Jezus een ander soort gemeenschap op het oog had. En in de beginfase
van de jonge kerk zien we daadwerkelijk iets in die zin van de grond
komen. We weten dat vrouwen in de aanvangsfase van de kerk een voorname
rol hebben gespeeld. Tot en met het leiden van een aantal
kerkgemeeschappen.
Lang heeft het niet geduurd. Algauw is de kerk gezwicht
voor de druk van de heersende cultuur. Een mannelijke cultuur heeft haar
stempel gedrukt op het hele geloofsleven. Tot op heden. Op de godsbeelden.
We spreken God toch aan als Heer en koning, vader, herder, allemaal
mannelijke beelden. Op het ambt in de kerk. Alleen mannen doen het ‘echte’
werk. Op de plaatsen waar de besluiten genomen worden: uitsluitend
mannelijk. Het vernieuwend elan van het begin is verdampt. Lucas is
nochtans duidelijk. Hij wil voor vrouwen een gelijkwaardige plaats
inruimen als volgelingen van Jezus. Dat blijkt uit het verhaal van
vandaag. Hier zijn twee vrouwen die ons een beeld geven van wat kerk kan
zijn. En daar komt geen man, zelfs geen Petrus, aan te pas.
Er is, in eerste instantie, Maria. Lucas presenteert
haar als gezeten aan de voeten van Jezus. Daarmee bedoelt hij haar niet
voor te stellen als een luie kont. Integendeel. ‘Gezeten aan de voeten’ is
een vaste uitdrukking om aan te geven dat men bij iemand in de leer is.
Dat dit gezegd wordt van een vrouw, is revolutionair. Vrouwen hoorden
namelijk niet in de leer te gaan. Dat was niet aan hen besteed. Ze zouden
thuis van hun man wel de nodige richtlijnen krijgen.
Maria wordt hier voorgesteld als een volwaardige
leerling, op hetzelfde niveau als de mannelijke leerlingen. Hier voelen we
nog iets van het Pinkstergebeuren nazinderen. Kerk staat voor fundamentele
gelijkwaardigheid van allen, mannen en vrouwen. Maria staat hier voor een
opdracht die de kerk als geheel dient te behartigen. Dat we in de leer
gaan. Dat we ons geloof betrekken op ons leven vandaag. In voeling met wat
er vandaag gaande is. Dat we ons geloven zo verwoorden dat het bijdraagt
tot de kwaliteit van ons leven. Daar is Maria mee bezig. Daar zijn tal van
vrouwen vandaag mee bezig. Zij nemen het leeuwenaandeel op zich in de
vormselcatechese, zij zijn op post voor de doopselvoorbereiding, zij
organiseren de ziekenzalving die ze ook voorbereiden. Er zijn heel wat
vrouwen die zieke mensen bijstaan en begeleiden. En het zijn vaak de
grootmoeders die hun kleinkinderen iets vertellen over geloven? Maria
staat inderdaad voor de vele vrouwen die een zaak ter harte nemen die van
vitaal belang is. Dat wij met zijn allen de uitdagingen van onze tijd
onder ogen zien.
En dan is er Martha, de vrouw van de inzet. Het is niet
zo dat ze de les gelezen wordt. Alsof ze met de verkeerde dingen bezig is.
Want dan zouden mét haar al die vrouwen terecht gewezen worden die zich
met zoveel dienstbaarheid inzetten voor hun gezin, hun buurt, de
gemeenschap?
Het gaat om iets anders. Naast Maria staat Martha voor
een tweede opgave die geldt voor de hele kerkgemeenschap. De
dienstbaarheid. Dat blijkt uit ons verhaal. Het is namelijk merkwaardig
dat ons intieme huistafereel doorkruist wordt door een heel plechtige
aanspreekformule: Martha, Martha! De dubbele aanspreking verraadt een
zeker gewicht. Het is geen zuchtend geklaag in de zin van: Och, Martha
toch, heb je het nog niet door? Helemaal niet. Martha wordt aangesproken
om leerling te zijn in de volle betekenis van het woord. Geen
tweederangsfiguur, geen hulpje, maar leerling ten voeten uit.
Zoals zij is, deze Martha, mag ze zich geroepen weten.
In haar zorgend bezig zijn. Ook zij mag voluit leerling van Jezus heten.
Als zij in haar bezig zijn maar niet in een knoop slaat. Als ze zichzelf
maar niet opvreet. Als ze maar handelt in harmonie met zichzelf. Als ze
maar niet in paniek slaat wanneer een of andere actie, een of ander
initiatief niet direct het gewenste resultaat oplevert. Het enig
noodzakelijke is dat ze handelt in vrijheid. Dat bedoelt Jezus. Dat is ook
het voorbeeld dat hij haar zelf nalaat. Vanuit een innerlijke vrijheid
naar mensen toegaan. Niet omdat je dat zelf nodig hebt. Niet om jezelf
goed te voelen, om te voelen dat je nodig bent, maar vanuit een vrijheid
die echt met de ander begaan is. Zo belichaamt Martha een tweede, even
wezenlijke opgave van de hele kerkgemeenschap.
Daarmee zijn er twee vormen van dienstbaarheid
aangegeven. Uitgebeeld door vrouwen. Je toeleggen op je geloof: dat is
één. Een opgave die vandaag dringend aan de orde is. En de daad. Dat is
twee. Beide zijn onontbeerlijk. Ignace D'hert o.p. |
| |