Daarom juist zitten we verveeld met sommige beelden die
zich af en toe opdringen. Beelden in de media. Schrijnende beelden.
Schokkende beelden uit Darfour, duizenden kinderen die veroordeeld zijn
tot de hongerdood, terwijl wij rond kuieren temidden van uitpuilende
winkelrekken in Carrefour. Darfour-carrefour. De klank van één letter
maakt een wereld van verschil. Het roept een gevoel van onbehagen op. Je
weet wel dat wij daar niets kunnen aan veranderen, maar het zit je toch
niet lekker.
Duizenden vluchtelingen die aan de Europese grenzen
aankloppen, sommigen gevlucht met risico voor eigen leven. Maar Europa
heeft te weinig plaats. Te weinig werk. Onbehagen. Als individu kun je er
niets aan doen. En toch zit je er mee.
Op reis in Afrika: te veel bedelaars om ze allemaal te kunnen helpen.
Lijmsnuivende jongeren in Latijns-Amerika. Daklozen in Brussel, half
verborgen onder een kartonnen doos. Je zou nog lang kunnen doorgaan in het
opsommen van beelden, gebeurtenissen, nieuwsfeiten die de meesten onder
ons een gevoel van onbehagen bezorgen.
Onbehagen past niet in een cultuur van welbehagen. Maar
plots duikt het op. Het overkomt je. Van waar toch dat gevoel van
onbehagen? Misschien omdat ons geregeld leventje erdoor gestoord wordt.
Wij hebben nu eenmaal ons leven zelf ingericht en wij willen dat zo
houden. We willen ons welbehagen niet laten ontregelen.
We kunnen er inderdaad voor kiezen de problemen buiten
te houden. We kunnen de menselijke gezichten die we zien herleiden tot
illustraties van een probleem. Vluchtelingen: dat kennen we, onze
verantwoordelijken zijn daarmee bezig. Aids in Afrika: dat weten we, onze
experts zoeken naar een oplossing. Dan stellen we de mensen opnieuw buiten
onze leefwereld, we laten ons niet raken. We grendelen de wereld van ons
welbehagen af. We dulden geen vervelende inbreuk. De concrete worsteling
van zoveel mensen om te overleven wordt herleid tot de wereld van de
statistieken, de paperassen en de dossiers. Men houdt zich op veilige
afstand.
De keuze is eeuwenoud, ze is er altijd geweest. We
vinden haar op de eerste bladzijden van de bijbel. Kaïn heeft zijn broer
Abel vermoord en God vraagt hem waar zijn broer is. En Kaïn: ik weet het
niet. Ben ik dan de hoeder van mijn broeder? Deze vraag is het oerwoord,
het moederwoord waarmee de bijbel de mens bepaalt als medemens. Je bent
pas mens als medemens. En dat heb je niet te kiezen. Je wordt in die
relatie gesteld. Het wordt je aangedaan. Het gaat aan elke keuze vooraf.
Je hebt enkel de mogelijkheid om die relatie te beamen of ze af te wijzen.
Maar aan de relatie zelf ontkom je niet. Je geeft hoe dan ook antwoord op
die vraag: ben ik de hoeder van mijn broeder. Het onbehagen dat in deze
vraag doorklinkt is geen toevalligheid. Het behoort tot de structuur van
ons mens zijn. Het welbehagen: dat is een toevalligheid. Dat wij het hier
zo goed hebben is te danken aan allerlei toevallige omstandigheden die in
ons voordeel zijn uitgevallen. Het onbehagen echter behoort tot onze
condition humaine. Het begint al bij de allereerste mensen. Bij Kaïn.
We weten: Kaïn en Abel zijn fictieve figuren. Ze zijn
echter niet uit de lucht gegrepen. Ze zijn vrucht van bezinning over wat
zich onder mensen afspeelt. Heel de geschiedenis door. En de parabel van
de priester, de leviet en de Samaritaan ligt helemaal in dezelfde lijn.
Het is hetzelfde oerverhaal. Het brengt de keuze die mensen kunnen maken
op een heel plastische wijze in beeld. Je kunt weigeren te zien wat er
gebeurt, je kunt op afstand blijven, buiten het gezicht van het
slachtoffer. Of je kunt ook als mens aanspreekbaar zijn, raakbaar, je kunt
geroerd worden wanneer je het gelaat ziet van je medemens in nood. Dan
gebeurt er iets met je welbehagen. Je beseft dat je welbehagen geen recht
is, maar gewoon het resultaat van toevallige omstandigheden.
Wie zich ooit heeft laten raken door het gelaat van een
concrete mens die jou aankijkt, beseft dat hij geappelleerd wordt op zijn
medemenselijkheid. Die beseft de uitdaging van Jezus’ verhaal in antwoord
op de vraag van de wetgeleerde: wie is dan mijn naaste? Het is de vraag
die zich in elke toevallige ontmoeting voor doet. Toevallig kwam daar een
man voorbij, vertelt Jezus. Toevallig wordt mijn welbehagen in vraag
gesteld. Zo gaat een mensenleven. Een samenhang van toevalligheden. Maar
telkens geef ik antwoord op die oervraag: ben ik dan de hoeder van mijn
broeder? Die vraag is niet toevallig. Ze behoort tot onze condition
humaine. En daarop antwoorden we dag aan dag.
Mogen we groeien in aandacht en verbondenheid voor wie
onze naaste kan worden.
Ignace D'hert o.p.