Preek van de week Elke week een nieuwe preek
  15 juli - vijftiende zondag Preek in M-S Word-formaatRechtstreeks afdrukken

 

Lezingen:

Deuteronomium  30,10-14
Lucas 10,25-37

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar


Wie is de naaste?

Soms hoor je wel eens dat iemand die wordt geïnterviewd zegt: ’Da’s een goeie vraag!’ Je zou dat ook kunnen zeggen van die schriftgeleerde die naar Jezus kwam met de vraag: ’Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ Maar het is niet alleen een goeie vraag, het is zonder meer de hamvraag! De vraag waar het voor ons allen om gaat. De vraag om wat eeuwigheidswaarde heeft. Je zou verwachten dat de allergewichtigste vraag ook een uiterst moeilijk antwoord krijgt. Maar neen Het antwoord ligt al eeuwen lang binnen handbereik. Het staat zwart op wit in de joodse Thora, wat wij ‘de wet’ noemen: ‘Gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand en uw naaste gelijk uzelf.’

Maar de schriftgeleerde wilde Jezus op de proef stellen met een nieuwe vraag: ’En wie is mijn naaste?’ Daarmee slaat de schriftgeleerde een andere vraag over. Het ging over God en de naaste. Hij vraagt niet: ’Wie is God?’ Verdwijnt die vraag? Voorlopig wel, maar ze zal terugkomen in het antwoord van Jezus. Nu gaat Jezus met de schriftgeleerde niet in discussie. Dat had hij graag gewild. Het was algemeen bekend dat schriftgeleerden graag discussieerden over wie de naaste was. Maar Jezus wilde daarover geen abstracte theorie verkopen, die in de papieren blijft steken. Het gaat hier niet om theorie maar om concrete praktijk. Hij vertelde een uitdagend verhaal waar je niet onverschillig kan bij blijven. Het moet je hart raken en je handen uit de mouwen doen steken.

Een eenzame reiziger wordt door rovers overvallen. Ze pakken zijn bezittingen, slaan hem halfdood en laten hem liggen aan de kant van de weg. Maar gelukkig komt daar toevallig een priester langs. Hij kwam van Jeruzalem en had daar God gediend. Hij had niet kunnen denken dat hij na het dienen van God, al zo vlug zich kon wijden aan het dienen van de naaste. Na het eerste gebod dient zich nu meteen ook het tweede gebod aan. Wat een gelukkig toeval! Maar …hij liep in een boog om hem heen!

Nu komt er ook een leviet voorbij. Dat is ook een tempeldienaar,als het ware de schaduw van de priester. Hij moet de priester in alles bijstaan. Priesters en levieten stonden in hoog aanzien bij de mensen. Ze mochten daarom ook hun handen niet vuil maken aan deze halfdode aan de kant van de weg. Als ze hem aanraken kan hij in hun handen dood blijven en dan zijn ze onrein. Dan mogen ze geen dienst meer doen in de tempel. Wat is dat voor een godsdienstigheid, die met glorie God dient, in een schitterende tempel, maar mensen laat kreperen?

Nu komt er een Samaritaan voorbij. Hij is in de ogen van de joden een ketter, een afvallige, een slechte mens die je uit te weg moet gaan. Maar die Samaritaan gaat niet uit de weg voor de halfdode. Hij verzorgt hem tot en met. Hij brengt hem naar een veilige herberg, blijft de hele nacht bij hem, geeft aan de waard genoeg geld voor een hele week en zegt dat hij nog zal terugkomen na zijn reis naar Jericho.

Die Samaritaan aarzelt niet. Hij ziet het gevaar, want ze kunnen hem ook overvallen. Precies ook, omdat hij als een vijand wordt gezien. Maar hij steekt onmiddellijk de handen uit de mouwen en doet alles wat hij kan om de gewonde te helen. ‘Hij had medelijden met hem’staat er.‘Medelijden’ is een beetje een te zwak woord. Eigenlijk staat er letterlijk: dat het hem in de buik slaat. Het Hebreeuwse woord voor ‘medelijden’ is afgeleid van ‘moederschoot’. In een van zijn liederen schrijft Huub Oosterhuis: ‘Een schoot van ontferming is onze God.’ Ook de oorsprong van het Nederlandse woord ‘barmhartigheid’ is suggestief: het komt van ‘armhartig’. Met een ‘arm hart’. Een hart dat niet vol is van zichzelf. Dat wijd open staat voor de ander. Zo’n hart heeft de barmhartige Samaritaan. Hij is ten diepste ontroerd en geraakt door wat hij ziet. Hij is tot in zijn ziel bewogen en komt dan ook tot daadwerkelijke beweging.

Tijdens de oorlog was er een boer die ‘s morgens op zijn land een Engelse soldaat vond. Die was ’s nachts, met zijn parachute, uit een Engels vliegtuig gesprongen tijdens een geheime missie. Maar hij had bij de landing zijn been gebroken. Na de oorlog interviewde een televisieverslaggever de boer en vroeg hem: ‘Wat ging er door u heen, die vroege morgen, toen u die gewonde soldaat op uw veld zag liggen?’ ‘Ik wou dat hij er niet gelegen had,’ zei de boer, ‘maar toen hij er lag, lag hij er voor mij’.

De halfdode langs de weg lag er voor de Samaritaan. En de vele geplunderde, neergeslagen en uitgehongerde mensen in Afrika en Latijns-Amerika liggen er voor ons, westerlingen. We zien ze op de tv. Voor de priester, de leviet en de Samaritaan ging het om de liefde binnen de vierkante meter. En dat geldt ook voor ons. Binnen de vierkante meter van ons huis moet het op de eerste plaats gebeuren. Tegenover onze partner, onze kinderen, onze familie en allen die bij ons thuis mogen zijn. We mogen hen niet als halfdood van verdriet, eenzaamheid, liefdeloosheid of ontreddering achterlaten. En binnen die vierkante meter staat ook de tv. De beroofde en geslagen slachtoffers van terreur, uitbuiting of corruptie zijn niet langer op tienduizend kilometer van ons. Op de één of andere manier moeten we bewogen worden in ons hart om hun lijden en in beweging komen om er iets aan te doen.

Het belangrijkste van dit evangelie zit hem in de staart. Jezus stelt nu de hamvraag aan de schriftgeleerde: ’Wie is de naaste van de man die in handen van rovers is gevallen?’ Het antwoord is: ’Die hem barmhartigheid betoond heeft.’ Jezus zegt: ‘De naaste dat ben jij, als je barmhartigheid betoont.’ Niet langer de ander is mijn naaste, maar ik moet de naaste worden van de ander. Jezus draait het om. Hij legt de barmhartigheid in ons hart en in onze handen. ‘Ga en doe evenzo,’ klinkt het. Kom nabij, kom heel dichtbij, naast jouw medemens, met je liefde en zo breng je God zelf nabij. De verre God is in Jezus Christus onze naaste geworden, want: ’Wat je aan de minsten der mijnen doet, heb je aan mij gedaan.’ Is Jezus zelf niet de naaste geworden van alle gekwetste en geslagen mensen die hij ontmoette? Is hij niet onze naaste waar we samen zijn in zijn naam? Waar we zijn brood breken voor elkaar, zoals nu in deze eucharistie? Ja…God komt inderdaad ook ter sprake in dit evangelie. Hij komt vooral tot leven als wij, zoals de Samaritaan, naaste worden van onze medemensen.

Rob Moens o.p., Genk

Deze preek is gedeeltelijk geïnspireerd door Nico ter Linden. Zie: Het verhaal gaat (6) p. 46.

 
  Prekenlijst