Maar de schriftgeleerde wilde Jezus op de proef stellen
met een nieuwe vraag: ’En wie is mijn naaste?’ Daarmee slaat de
schriftgeleerde een andere vraag over. Het ging over God en de naaste. Hij
vraagt niet: ’Wie is God?’ Verdwijnt die vraag? Voorlopig wel, maar ze zal
terugkomen in het antwoord van Jezus. Nu gaat Jezus met de schriftgeleerde
niet in discussie. Dat had hij graag gewild. Het was algemeen bekend dat
schriftgeleerden graag discussieerden over wie de naaste was. Maar Jezus
wilde daarover geen abstracte theorie verkopen, die in de papieren blijft
steken. Het gaat hier niet om theorie maar om concrete praktijk. Hij
vertelde een uitdagend verhaal waar je niet onverschillig kan bij blijven.
Het moet je hart raken en je handen uit de mouwen doen steken.
Een eenzame reiziger wordt door rovers overvallen. Ze
pakken zijn bezittingen, slaan hem halfdood en laten hem liggen aan de
kant van de weg. Maar gelukkig komt daar toevallig een priester langs. Hij
kwam van Jeruzalem en had daar God gediend. Hij had niet kunnen denken dat
hij na het dienen van God, al zo vlug zich kon wijden aan het dienen van
de naaste. Na het eerste gebod dient zich nu meteen ook het tweede gebod
aan. Wat een gelukkig toeval! Maar …hij liep in een boog om hem heen!
Nu komt er ook een leviet voorbij. Dat is ook een
tempeldienaar,als het ware de schaduw van de priester. Hij moet de
priester in alles bijstaan. Priesters en levieten stonden in hoog aanzien
bij de mensen. Ze mochten daarom ook hun handen niet vuil maken aan deze
halfdode aan de kant van de weg. Als ze hem aanraken kan hij in hun handen
dood blijven en dan zijn ze onrein. Dan mogen ze geen dienst meer doen in
de tempel. Wat is dat voor een godsdienstigheid, die met glorie God dient,
in een schitterende tempel, maar mensen laat kreperen?
Nu komt er een Samaritaan voorbij. Hij is in de ogen
van de joden een ketter, een afvallige, een slechte mens die je uit te weg
moet gaan. Maar die Samaritaan gaat niet uit de weg voor de halfdode. Hij
verzorgt hem tot en met. Hij brengt hem naar een veilige herberg, blijft
de hele nacht bij hem, geeft aan de waard genoeg geld voor een hele week
en zegt dat hij nog zal terugkomen na zijn reis naar Jericho.
Die Samaritaan aarzelt niet. Hij ziet het gevaar, want
ze kunnen hem ook overvallen. Precies ook, omdat hij als een vijand wordt
gezien. Maar hij steekt onmiddellijk de handen uit de mouwen en doet alles
wat hij kan om de gewonde te helen. ‘Hij had medelijden met hem’staat
er.‘Medelijden’ is een beetje een te zwak woord. Eigenlijk staat er
letterlijk: dat het hem in de buik slaat. Het Hebreeuwse woord voor ‘medelijden’ is afgeleid van ‘moederschoot’. In een van zijn liederen
schrijft Huub Oosterhuis: ‘Een schoot van ontferming is onze God.’ Ook de
oorsprong van het Nederlandse woord ‘barmhartigheid’ is suggestief: het
komt van ‘armhartig’. Met een ‘arm hart’. Een hart dat niet vol is van
zichzelf. Dat wijd open staat voor de ander. Zo’n hart heeft de
barmhartige Samaritaan. Hij is ten diepste ontroerd en geraakt door wat
hij ziet. Hij is tot in zijn ziel bewogen en komt dan ook tot
daadwerkelijke beweging.
Tijdens de oorlog was er een boer die ‘s morgens op
zijn land een Engelse soldaat vond. Die was ’s nachts, met zijn parachute,
uit een Engels vliegtuig gesprongen tijdens een geheime missie. Maar hij
had bij de landing zijn been gebroken. Na de oorlog interviewde een
televisieverslaggever de boer en vroeg hem: ‘Wat ging er door u heen, die
vroege morgen, toen u die gewonde soldaat op uw veld zag liggen?’ ‘Ik wou
dat hij er niet gelegen had,’ zei de boer, ‘maar toen hij er lag, lag hij
er voor mij’.
De halfdode langs de weg lag er voor de Samaritaan. En
de vele geplunderde, neergeslagen en uitgehongerde mensen in Afrika en
Latijns-Amerika liggen er voor ons, westerlingen. We zien ze op de tv.
Voor de priester, de leviet en de Samaritaan ging het om de liefde binnen
de vierkante meter. En dat geldt ook voor ons. Binnen de vierkante meter
van ons huis moet het op de eerste plaats gebeuren. Tegenover onze
partner, onze kinderen, onze familie en allen die bij ons thuis mogen
zijn. We mogen hen niet als halfdood van verdriet, eenzaamheid,
liefdeloosheid of ontreddering achterlaten. En binnen die vierkante meter
staat ook de tv. De beroofde en geslagen slachtoffers van terreur,
uitbuiting of corruptie zijn niet langer op tienduizend kilometer van ons.
Op de één of andere manier moeten we bewogen worden in ons hart om hun
lijden en in beweging komen om er iets aan te doen.
Het belangrijkste van dit evangelie zit hem in de
staart. Jezus stelt nu de hamvraag aan de schriftgeleerde: ’Wie is de
naaste van de man die in handen van rovers is gevallen?’ Het antwoord is:
’Die hem barmhartigheid betoond heeft.’ Jezus zegt: ‘De naaste dat ben
jij, als je barmhartigheid betoont.’ Niet langer de ander is mijn naaste,
maar ik moet de naaste worden van de ander. Jezus draait het om. Hij legt
de barmhartigheid in ons hart en in onze handen. ‘Ga en doe evenzo,’
klinkt het. Kom nabij, kom heel dichtbij, naast jouw medemens, met je
liefde en zo breng je God zelf nabij. De verre God is in Jezus Christus
onze naaste geworden, want: ’Wat je aan de minsten der mijnen doet, heb je
aan mij gedaan.’ Is Jezus zelf niet de naaste geworden van alle gekwetste
en geslagen mensen die hij ontmoette? Is hij niet onze naaste waar we
samen zijn in zijn naam? Waar we zijn brood breken voor elkaar, zoals nu
in deze eucharistie? Ja…God komt inderdaad ook ter sprake in dit
evangelie. Hij komt vooral tot leven als wij, zoals de Samaritaan, naaste
worden van onze medemensen.
Rob Moens o.p., Genk
De