Over vrijheid moeten we met twee woorden spreken. Eerst
en vooral is ze vrijheid van: bevrijding van het juk van
verknechtende en onderdrukkende machten. Voor die bevrijding hebben onze
voorouders lang en hard moeten vechten. Wij genieten de vruchten van hun
strijd en voor geen geld ter wereld willen we ze prijsgeven: vrijheid van
meningsuiting, van geweten en godsdienst, vrijheid in onze handel en
wandel. Die bevrijding van de machten boven en buiten ons schept de ruimte
waarbinnen de vrijheid voor zich moet ontplooien: de vrijheid voor
alles wat het leven zin en inhoud geeft. Die vrijheid is een roeping, zegt
Paulus. "U bent geroepen om vrij te zijn." Aan christenen zegt hij dat het
Christus is die hen bevrijd heeft om hun roeping te kunnen volgen en in
vrijheid te leven.
Maar die vrijheid wordt van binnen uit door een
tegenmacht belemmerd. Paulus waarschuwt ervoor: geef niet toe aan de
zelfzucht! Zelfzucht is de meest gebruikte vertaling van het bijbelse
woord 'vlees'*. Dat is niet het lichaam maar de hele mens, met al zijn
beperkingen, zijn fouten en hebbelijkheden. Als wij spreken over
'vleselijke begeerten', denken we aan de seksualiteit. In de bijbelse taal
zijn het al de kleinmenselijke, zelfzuchtige verlangens waardoor mensen
worden gedreven. Je hoeft niet diep in je binnenste te kijken om ze te
vinden. Wie kent niet het verlangen om van alles waar hij genoegen in
vindt ongeremd te genieten? Wie voelt in zich niet de macht van de
mateloze hebzucht? Niemand ontsnapt aan de verleiding van de heerszucht.
Genieten van macht over mensen, ze naar je hand zetten in dienst van je
eigen belang. Iedereen is gevoelig de macht van de eerzucht. Groot gaan op
wat je op eigen kracht verwezenlijkt, je prestaties en verdiensten in de
verf zetten en er beloning voor opeisen.
Van die macht van het 'vlees' en haar verleidingen
heeft Christus bevrijding gebracht. Dat wil Paulus zijn lezers inscherpen.
Het sleutelwoord dat hij hiervoor gebruikt is 'geest': alles wat te maken
heeft met de werking van Gods genade. Waar de geest werkt, daar is
vrijheid. Daar zijn mensen bij machte om zich te verzetten tegen de
machten van de zelfzucht. Maar dat gaat niet zonder moeite en inspanning.
Paulus zegt het goed. In iedere mens speelt zich een voortdurende strijd
af tussen de begeerten van de zelfzucht en de werking van de geest. Ze
liggen met elkaar overhoop. Als mensen niet meewerken met de geest, doen
ze niet wat ze eigenlijk willen. Ze blijven onder de maat van hun roeping
tot vrijheid.
"Wanneer u door de geest geleid wordt, bent u niet
onderworpen aan de wet." Dat is straffe taal. Paulus bedoelde de
voorschriften van de joodse wet, waarvan christenen bevrijd waren. Hun
vrijheid was natuurlijk geen bandeloosheid en willekeur. Dat is onze
vrijheid evenmin. Ze is gebonden door de liefde, die in de
Kolossenzenbrief (3,14) de band van de volmaaktheid wordt genoemd. In het
voorschrift van de naastenliefde is de hele wet vervuld.
In onze roeping tot vrijheid moeten we ons laten leiden
door de geest. Het is onze roeping om, inderdaad, vrij te zijn in onze
meningsuiting, maar met de grote ernst van de liefde en de even grote
ernst van de verantwoordelijkheid. Het is onze roeping om tegenover
iedereen op te komen voor het goed recht van onszelf, maar evenzeer voor
dat van alle anderen. Ook voor de belangen van diegenen die nooit op
straat durven komen omdat ze bang moeten zijn voor de machten buiten en
boven hen. Het is onze roeping om in vrijheid ons geweten te volgen en
onze godsdienst te beleven, maar met liefde en zorg voor de vrijheid van
geweten en godsdienst van allen die anders of niet geloven.
Als we leven in vrijheid door de geest in ons machtig
te maken, zullen we ons knellend keurslijf kunnen afgooien, we zullen niet
langer overhoop liggen met onszelf en gehoorzamen aan wat ons innerlijk
verknecht en niet meer de vijand zijn van ons eigen geluk en van het
geluk van de anderen.
*