Preek van de week Elke week een nieuwe preek
    
  15 februari - zesde zondag afdrukken  Word-document
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

 

Lezingen:

Leviticus 13,1-2.45-46
Marcus 1,40-45

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Mensen die worden uitgestoten
 

Jezus geneest een melaatse. Dat klinkt eenvoudig. Althans voor ons. Maar het was een zéér merkwaardige gebeurtenis in de ogen van de Joden.
Voor ons is melaatsheid alleen bekend door Pater Damiaan. Hij is een heilige en een held. Hij leefde op het verre eiland Molokai, samen met melaatsen, als een zorgende liefdevolle vader, tot hij aan dezelfde ziekte bezweek. Melaatsheid is een ziekte waardoor de ledematen wegrotten. Melaatsen zien er afzichtelijk uit en verspreiden een kwalijke geur. De missionarissen onder ons hadden er in Congo mee te maken, als ze naar de melaatsenkampen gingen. Door die afschuwelijke ziekte werden melaatsen uitgestoten. Ze waren besmettelijk. Daarom lag het eiland Molokai ver genoeg verwijderd van de gezonde wereld..

In Jezus' tijd konden melaatsen niet deelnemen aan het gewone dorpsleven. Ze waren sociaal uitgesloten. Ook religieus. Ze werden gezien als door God geslagen, als definitief verworpen mensen. In die tijd dacht men dat ernstige ziekte en ongeluk met zonde hadden te maken. De melaatse moest dus wel heel erg gezondigd hebben! Het was zijn eigen schuld dat deze weerzinwekkende ziekte hem overviel. Zoals wij misschien nog denken dat aids altijd het gevolg is van afwijkend seksueel gedrag. Of zoals een door de paus onlangs benoemde bisschop de tsunami van enkele jaren geleden ziet als een straf van God.

Melaatsen waren dus medisch, sociaal en religieus uitgesloten. Ze waren niemand meer; zoals in India de paria's 'onaanraakbaren' genoemd worden. In Jezus' tijd hadden melaatsen altijd een ratel bij zich, want ze moesten mensen die naderbij kwamen, waarschuwen om uit hun buurt te blijven. Jezus had hen dus moeten schuwen als de pest. Maar neen, hij raakte de melaatse aan. Dat was helemaal verwerpelijk en taboe. Daardoor werd hijzelf onrein. Jezus doorbrak de ban. Hij herstelde de band met de uitgestotene. De melaatse werd weer 'iemand'. Een medemens. Jezus raakte de melaatse aan en genas hem, omdat hij zelf geraakt werd door deze lijdende verschoppeling die geen medemens meer was.

Hij had 'medelijden' met hem, staat er. Letterlijk, in het Grieks, staat er: "Het sloeg hem in de buik." Jezus was zo ontroerd dat hij tot in zijn ingewanden bewogen werd en spontaan deze 'onaanraakbare' in zijn armen nam. Hij kon niet anders. Er was in hem een heel diep, innerlijk 'moeten'. Het 'moeten' van de liefde. Dit gebaar van Jezus, zo mogen we geloven, was het gebaar van God zelf dat zich manifesteerde in de mens Jezus, want het ging hem steeds om openheid, voor al wie getekend en geketend was en daardoor uitgesloten.

Hij stuurde de melaatse naar de priesters, want dat waren de experts. Zij alleen konden uitmaken wie rein of onrein was. Je moet niet vragen welke geweldige macht ze hadden over mensen! Ze konden als het ware iemand voor dood verklaren. Door zelf de melaatse te genezen, verbrak Jezus de macht van die priesters. De voor dood verklaarde melaatse bracht hij tot nieuw leven. Maar door de macht van de priesters te breken, werd Jezus zelf gebroken. Hij werd zelf de uitgestotene, ze zullen schreeuwen: 'Weg met hem, kruisig hem!' Het was nog niet zo ver. Marcus zegt alleen dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen. Hij werd al uitgerangeerd.

Ik weet niet welke indruk dit verhaal maakt op u. Misschien denkt u wel: het is allemaal ver van ons bed. We hebben niets met melaatsen te maken. Ja, maar misschien wél met mensen die worden uitgestoten. Of misschien voelt u uzelf wel door anderen uitgestoten? Ook onder ons, christenen, kerkelijke christenen, parochianen, gebeurt het.

Ergens in een parochie, buiten ons bisdom, is er een vrouw (laten we haar Ria noemen) die lange tijd zeer actief was op pastoraal vlak. Ze voelde zich er goed, zette zich ten volle in en werd gewaardeerd door de pastoor. Ria was bekwaam, verstandig, creatief, nam initiatief, ze kon goed schrijven en het goed overbrengen. Maar een goede kennis van de pastoor in het pastoraal team kon met die situatie niet goed overweg. Jaloezie, nijd, frustratie over eigen kleinheid kwamen opzetten. Dan begon de ellende voor Ria. Ze werd meer en meer genegeerd. Al wat ze in het pastoraal team inbracht werd afgebroken of niet naar geluisterd. Wat ze schreef in het parochieblad werd ingekort of verscheen gewoon niet. Ria vond geen steun meer bij de pastoor, want hij had een goede band met die andere vrouw. De andere leden van het team zwegen of waren mouwvegers van de pastoor. Om kort te gaan: Ria werd zozeer gepest dat ze samen met nog een ander lid van het team, die het niet langer kon aanzien, is opgestapt. Uit jaloersheid werd ze uitgesloten en uitgestoten, met goedvinden van de pastoor die geen verantwoordelijkheid nam. Ria lijdt er nog steeds erg onder. Ze deed zo graag pastoraal werk. Vooral catechese en gezinspastoraal. De parochianen weten niet waarom ze nu wegblijft. Zijzelf zegt er ook niets over. Ze wil op haar beurt niemand uitstoten door ze te bekladden. Ze heeft de verkeerde mensen vertrouwd...

Dit is de vraag die we onszelf moeten stellen na dit evangelie over de melaatse: In hoever sluit ik mensen uit of stoot ze af? Uit jaloersheid of omdat ik mij bedreigd voel in mijn positie? In hoever neem ik het op voor mensen, in mijn buurt, op school, in verenigingen, in de parochie, die uitgestoten worden? Met het risico zelf aan de kant gezet te worden, omdat je niet meeloopt met 'de grote hoop'.

Het evangelie roept ons altijd op om Jezus van Nazaret te volgen in ons reële leven. Het blijft altijd moeilijk om dat consequent te doen. We zijn nooit altijd en volledig christen. Als we het maar telkens opnieuw proberen!

Rob Moens, dominicaan, Genk

 
  Prekenlijst