Over de inhoud van dat gesprek onder vier ogen weet
onze evangelist uiteraard niets; hij weet enkel dat het heeft
plaats gevonden. Hij grijpt dat gesprek aan om zijn kerkgemeenschap wat
geloofsinzicht bij te brengen. In een fictieve dialoog met Jezus voert hij
Nikodemus op als aangever, als vragensteller. Maar de rol van Nikodemus is
snel uitgespeeld: de dialoog gaat over in een monoloog waarin de
evangelist Jezus over zichzelf aan het woord laat. Het is die monoloog die
ik daarnet heb voorgelezen. Een moeilijke passage die heel wat toelichting
vergt, wat niet kan binnen het korte bestek van deze homilie. Ik beperk me
tot het begin en het einde van de tekst.
Die monoloog begint vreemd: "Evenals Mozes in de
woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog
worden geheven."
Een farizeeër zoals Nikodemus snapt de allusie
onmiddellijk; voor ons is dat niet zo evident. Jezus verwijst naar een
gebeuren toen de Joden, ontsnapt uit de slavernij in Egypte, rondzwierven
in de woestijn (Numeri 21,4-9). Op een bepaald ogenblik werd hun
tentenkamp overvallen door een kolonie giftige slangen. Er vielen nogal
wat doden te betreuren. Mozes bad God om hulp en kreeg te horen: 'Maak een
koperen slang en bevestig die hoog op een paal; al wie gebeten is en naar
die koperen slang opkijkt zal in leven blijven.'
Zoals die slang zal dus ook de Mensenzoon omhoog
geheven worden aan het kruis, zodat wie gelooft, uitzicht krijgt op eeuwig
leven.
Een parallel tussen de Mensenzoon en een slang...? Dat
klinkt raar in onze oren, misschien zelfs een tikkeltje ongepast. Vergeet
dan niet dat deze beeldspraak haar wortels heeft in een ver achter ons
liggende cultuur waar de slang symbool staat voor eeuwig leven: ze werpt
haar oude huid af en zet, verjongd met een nieuwe huid, haar levensweg
verder.
De evangelist Johannes zou Johannes niet zijn als deze
beeldspraak geen dubbele bodem had. Niet alleen werd Jezus, zoals de
koperen slang, omhooggeheven aan het kruis; maar de gekruisigde Christus
werd ook door de Vader verheven en verheerlijkt over de dood heen, in de
verrijzenis en de hemelvaart. Die drie momenten - kruis, verrijzenis,
hemelvaart - vormen voor deze evangelist één niet te scheiden geheel. Voor
hem is het kruis geen symbool van de dood, maar van het tegendeel: het
kruis staat in zijn verkondiging symbool voor leven dat sterker is dan de
dood. Zoals destijds de slachtoffers van giftige slangen in leven bleven
als ze opkeken naar de koperen slang op de paal, zo krijgt ook, wie
gelovig opkijkt naar het kruis, uitzicht op eeuwig leven.
Daarnet bij het voorlezen van het evangelie heb ik de
tekst een klein beetje naar mijn hand gezet. Er staat: "wie gelooft
bezit eeuwig leven" (3,14). Ik heb ervan gemaakt: "wie gelooft
krijgt uitzicht op eeuwig leven". Ik denk dat die kleine correctie
duidelijker weergeeft wat bedoeld wordt. 'Wie gelooft bezit eeuwig leven'
zou je verkeerdelijk kunnen verstaan als: 'geloof' en 'eeuwig leven' zijn
rechtstreeks aan elkaar gekoppeld; geloof-op-zich garandeert eeuwig leven.
Dat is dus niet zo. Geloven in Jezus opent wel perspectief op eeuwig
leven, maar aan het daadwerkelijk verwerven ervan - zo voegt Johannes op
het einde van de monoloog aan toe - is nog wel een voorwaarde verbonden:
je moet namelijk "de waarheid doen" (v. 21).
Vanuit onze catechismuslessen in de lagere school,
denken wij bij het woord 'waarheid' al te gemakkelijk aan
geloofswaarheden, aan leerstellingen die wij voor waar hebben aan te nemen
ook als ons armzalig mensenverstand ze niet kan vatten. Laat het voor eens
en altijd gezegd zijn: dat is niet de betekenis van het
evangelische woord 'waarheid'. Als Jezus zegt: "Ik ben de Weg, de Waarheid
en het Leven" (Joannes 14,6), roept hij ons op om 'zijn weg te gaan',
'zijn waarheid te doen', 'ons leven op het zijne af te stemmen'. Drie
uitdrukkingen die exact hetzelfde betekenen.
'De waarheid doen', heeft niets met weten, met
intellect of met 'voor waar aannemen' te maken, maar is de evidente
consequentie van een ervaring. Naarmate we er ons van bewust worden dat
God in Jezus heeft getoond wat mensen voor elkaar kunnen betekenen,
naarmate we van die waarheid doordrongen zijn, wordt het voor ons
vanzelfsprekend dat we in ons leven de weg moeten gaan die Jezus ons is
voorgegaan. [Of we dat ook daadwerkelijk doen, is een ander paar mouwen.]
Door onze manier van leven af te stemmen op die van Jezus, geven we aan
anderen door, leggen we getuigenis af van de waarheid dat Jezus leeft. Nú
leeft. Het is dié waarheid over Jezus die ons leven nú zo waardevol maakt
dat het over de dood heen getild wordt. Geloof dat ook gedaan wordt,
verlost ons en anderen, redt ons en anderen, garandeert leven in
eeuwigheid.
Marc Christiaens o.p. (Schilde)