| Preek van de week | ||
|
|
||
| 3 mei - vierde paaszondag |
|
|
Lezingen:
Handelingen 4,8-12
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Herders voor elkaar
Er staan in het Johannesevangelie zeven zelfportretten
van Jezus. Telkens hetzelfde beeld onder een andere belichting. In het
evangelie van deze zondag portretteert Jezus zichzelf als 'de goede
herder'. Het is lang niet zo idyllisch als de afbeelding op veel vrome
prentjes. Het heeft een scherpe punt, gericht tegen de Farizeeën die zijn
gesprekspartners waren. Ik ben de herder, zei Jezus, geen huurling.
Ik ben de goede herder, ik heb hart voor mijn schapen. Voor zijn
leerlingen was het een waarschuwing. Loop niet achter huurlingen aan.
Luister niet naar harteloze herders. Die waarschuwing geldt ook voor al
wie vandaag dit evangelie leest.. 'Herder' is in de bijbelse beeldtaal de titel en
taakomschrijving van de religieuze en politieke leiders en gidsen van de
gemeenschap. We herkennen dit beeldwoord in het Nederlandse 'pastor':
leider, gids en verzorger van een christelijke gemeenschap. Pastorale
werkers en werksters verrichten herderlijk werk.
In de bijbel wordt Gods volk meer dan eens vergeleken
met een menigte schapen zonder herder (zie o.m. Kronieken 18,16). Dolende
schapen op zoek naar een betrouwbare herder die hen beschermt tegen wolven
en rovers. Jezus zei dat ook vol medelijden over een menigte mensen die
naar kwamen luisteren (zie Marcus 10,34). Wij gebruiken die bijbelse
beeldspraak niet meer. Er is geen mens die zich schaap wil noemen of laten
noemen. Geen pastor haalt het in zijn hoofd de verzamelde gelovigen aan te
spreken als 'dierbare schapen'.
Natuurlijk zijn mensen geen schapen, maar niemand kan
zonder herders: richtingwijzers, gidsen, verzorgers. Iedereen heeft zulke
herders, of hij dit beseft of niet. Wie er geen heeft, vindt geen weg in
zijn of haar leven. In die zin van het woord zijn er veel mensen als
schapen zonder herder, zeker ook zonder goede herder, op veel belangrijke
terreinen van hun leven. Kinderen zonder ouders bijvoorbeeld, zonder
zorgzame opvoeders. Zieken die in het verzorgingssysteem van het kastje
naar de muur worden gestuurd. Burgers die in hun politieke leiders geen
vertrouwen kunnen hebben. Nog andere voorbeelden liggen voor het rapen.
Het is een levensbelangrijke vraag: wie - of wat -
speelt in ons leven feitelijk de rol van herder, van richtingwijzer en
stuurder? Goede herders kiezen en volgen is een gewetenskwestie.
Het evangelie kan daarbij helpen. Het tekent het ideaalbeeld van de goede
herder die zich spiegelt aan het zelfportret van Jezus. Een goede herder
kent de schapen die zich aan hem toevertrouwen, in de bijbelse zin van
'kennen': hij is met zijn hart bij hen. Hij leidt hen met vaste maar
zachte hand naar grazige weiden, plekken waar ze voedsel vinden voor hun
ziel. Hij staat met zijn leven voor zijn schapen in. Goede herders kiezen en volgen is een gewetenskwestie.
Jezus waarschuwde zijn leerlingen: loop niet achter huurlingen aan die hun
eigen belang op het oog hebben, luister niet naar herders van wie je niet
weet of ze wel echt met je inzitten.
Er is een tweede vraag van even groot belang. Voor
welke mensen dragen wij de verantwoordelijkheid van een goed herderschap?
Mensen met wie we het leven delen, mensen die op ons moeten kunnen
vertrouwen. We geven er ons te weinig rekenschap van dat mensen in menig
opzicht elkaars herders zijn. Goed met elkaar leven kunnen ze alleen als
ze goede herders zijn.
Goede herders voor elkaar zijn in de voetsporen van
Jezus betekent dat we voor elkaar borg staan voor geluk en genade. Dat we
borg staan voor leven ondanks lijden en dood, sterker dan lijden en dood.
Er borg voor staan dat we met elkaar omgaan in oprechtheid en met zachte
hand, rechtlijnig maar hartelijk. Dat we telkens weer kiezen voor
verzoening en elkaar nieuwe kansen gunnen, voor elkaar mensen van
ontferming en vrede zijn.
Dan kunnen we ons met gelovige zekerheid geborgen weten
in Gods vaderhart en in de liefde van de Goede Herder.
* De laatste alinea is ontleend aan een preek van Paul
Schollaert, Zondagse woorden. Lannoo, Tielt 2008, p. 306.
J. Van Oostveld |
| |