| Preek van de week | ||
| 4 januari - Openbaring |
|
|
Lezingen:
Jesaja
60,1-6
U kunt
reageren |
|||||||||
|
Een ouverture
Alleen Matteüs en Lucas hebben in hun evangelie
verhalen opgenomen over Jezus' geboorte en wat er onmiddellijk aan
voorafging en erop volgde. Het zijn totaal verschillende verhalen. We
mogen daaruit afleiden dat ze niet behoren tot de kern en de essentie van
de eerste overleveringen betreffende Jezus. Maar het evangelie zonder
Kerstmis en Driekoningen? Ondenkbaar. Niemand wil die verhalen missen. We
kunnen ze lezen als een ouverture die aan de opera voorafgaat en waarin de
tonaliteit, de sfeer en de teneur worden aangegeven van het hele gebeuren
dat daarna wordt vertolkt. Lucas schreef een evangelie van en voor herders, een
evangelie van de arme en uitgestoten mensen, van de mislukkelingen en de
zondaars, mensen die zo door duisternis omringd en getekend zijn dat zij
opschrikken voor het licht, maar er ook onweerstaanbaar door worden
aangetrokken. Zijn evangelie is het evangelie van Gods barmhartigheid.
Matteüs schreef een evangelie van en voor wijzen uit
het Oosten, een evangelie van zonderlingen en alternatieven, van anderen
dan die verwacht zijn: niet het eigen volk dat zijn nieuwe koning afwijst,
maar de vreemdelingen wereldwijd die wèl oog hebben voor het licht van een
ster en een mensengelaat. Zijn evangelie is het evangelie van de
universaliteit van Gods koninkrijk.
Kerstmis betekent: je moet God aanvaarden in je leven
als de kleinste en de minste der mensen, de heel Nabije, de
Naaste-als-jezelf die je weg kruist. Epifanie betekent: je moet God
aanvaarden in je leven als de heel Andere, de Heilige, de Koning, als de
Eerste en de Laatste van de schepping.
Het verhaal van Matteüs gaat over mensen die hun
dagelijkse leven achter zich laten om op zoek te gaan naar het enige waar
het op aankomt, naar ergens boven hen een vast punt waarop ze hun leven
kunnen oriënteren. Ze kijken naar boven, ze zijn naïef genoeg zijn om zich
te laten leiden door een geheimzinnig licht, maar ook slim en realistisch
genoeg om de juiste wegen en omwegen te vinden. Ze volgen het licht van
een ster die verschijnt en verdwijnt en dan weer verschijnt. Zo gaat dat
in elk leven, met soms dagen zonder zin, zonder doel en dan weer dagen die
nieuw perspectief openen.
Matteüs laat de zoektocht van de wijzen eindigen bij
hun ontdekking van een kind waarin ze de koning herkenden die ze eer
wilden bewijzen. Het kind dat ze vonden, straalt licht uit naar alle
landen van de wereld, zodat mensen van verschillende kleuren, landen en
talen en culturen eenstemmig en eensgezind optrekken om het te vinden en
eer te bewijzen. Want dit kind behoort niet toe aan één bepaalde kerk, aan
één volk, het is bestemd voor het heil van allen. Het is een arm kind, van
ouders zonder aanzien, en toch groter en aanzienlijker dan alle wijzen en
koningen. De woorden die het als volwassen man zal uitspreken vormen een
bedreiging voor alle machtigen die menen het voor het zeggen te hebben en
hun volk met ijzeren vuist regeren.
De wijzen gaven het kind drie welsprekende geschenken.
Goud staat in veel culturen en religies symbool voor koninklijke macht en
waardigheid. Koningen worden met goud gekroond. Priesters branden en
zwaaien met wierook bij het verrichten van de eredienst. Mirre
symboliseert de menselijkheid met haar beperkingen en is een medicijn voor
de pijn van de menselijkheid. Toen Jezus aan het kruis hing wilden de
soldaten hem wijn vermengd met mirre laten drinken waardoor hij het
bewustzijn zou verliezen, maar hij weigerde bewusteloos te sterven (Marcus
15,23).
Als we de ouverture beluisterd hebben, begint het
eigenlijke verhaal. Ons eigen verhaal, getoonzet op dat van de wijzen. Aan
ons nu om hun wijsheid in praktijk te brengen. Aan ons om het licht van de
ster die verschijnt en weer verdwijnt en dan weer verschijnt niet uit het
oog te verliezen. Ze toont de weg die we moeten volgen om bij hem uit te
komen in wie we onze God herkennen en aan wie we eer willen bewijzen. God
geve ons dat we wijs genoeg zijn om afstand te doen van onze zucht naar
goud en eer, wijs genoeg om de mirre van onze beperkingen en onze
sterfelijkheid te aanvaarden, wijs genoeg om in te zien dat we God eer
bewijzen door de wierook van onze liefde brandend te houden om onze
naasten als beeld van God te eren. B.J. De Clercq o.p.
Geïnspireerd door Paul
Schollaert, Zondagse woorden,
Lannoo, 2008, p. 261-264 en Dries Morel, Zijn verhaal is ons verhaal,
Tabor Brugge, 1993, p. 163-165 |
| |