Preek van de week Elke week een nieuwe preek
    
  28 december - Heilige Familie afdrukken  Word-document
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

 

Lezingen:

Jesus Sirach 3,2-6.12-14
Lucas 2,22-40

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Twee profeten
 

Ik hoop dat u het mij niet ten kwade duidt dat ik het, op het feest van de heilige Familie, niet zal hebben over het gezin. Ik laat dat thema liever over aan een van de 'ervaringsdeskundigen' van de preekploeg. Ik wil me vandaag beperken tot enige achtergrondinformatie bij het evangelie. Daarin komen een paar typisch Joodse geboorterituelen ter sprake.

Een vrouw die een kind gebaard had, was in Joodse ogen onrein. Was het een jongetje, dan was ze 40 dagen onrein; was het een meisje, dan gedurende 80 dagen (vraag me niet naar het waarom van dat verschil). Na die periode ging de moeder naar de tempel om zich door de priester opnieuw 'rein' te laten verklaren. Als zoenoffer bood ze een eenjarig lam aan dat later in de eredienst als brandoffer werd gebruikt. Wie onbemiddeld was en geen lammetje kon betalen, offerde 1 of 2 duiven (Leviticus 12,2-8).

Ouderen onder ons herkennen dit wellicht: vroeger gingen ook bij ons jonge moeders, zodra ze weer te been waren, hun 'kerkgang doen'.

Het tweede ritueel is de opdracht. Joden zijn er zich diep van bewust dat alle leven van Godswege geschonken is, dat de mens er slechts vruchtgebruiker en rentmeester van is. Om uitdrukking te geven aan dit religieuze besef, worden de eerste vruchten van de nieuwe oogst en de eerstgeborenen van het vee geofferd bij wijze van dank en eerbetoon aan de Schepper van alle leven (Exodus 22,28-29; 13,2-12; Numeri 18,15).

Aanvankelijk gebeurde zoiets ook met een eerstgeboren zoon. Die werd door de ouders afgestaan om dienst te doen in de tempel. Later werd de tempeldienst toevertrouwd aan de levieten, leden van de stam van Levi, een van de twaalf stammen van Israël. Van dan af ging men met een eerstgeboren jongetje naar de tempel, niet meer om het af te staan maar om het aan God toe te wijden. Om praktische redenen liet men beide rituelen - de rein-verklaring van de moeder en de opdracht van de eerstgeborene - samenvallen. Daarom vieren we op 2 februari, exact 40 dagen na Kerstmis, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel, vroeger 'Maria Lichtmis' genoemd.

Aan dit voor Joden zo belangrijk moment in het leven van moeder en kind besteedt onze evangelist opvallend weinig aandacht. Voor hem is dit gebeuren slechts decor voor een schijnbaar toevallige ontmoeting: in de tempel lopen Maria en Jozef een zekere Simeon en Hanna tegen het lijf. En wat die twee over het kind Jezus te zeggen hebben, is blijkbaar in de ogen van Lucas veel belangrijker.

Een kanttekening tussendoor. Zoals u weet mogen de verhalen over het kind Jezus niet gelezen worden als een stukje biografie. Ze werden geschreven in en voor de jonge christengemeenschap - lang na Jezus' dood dus - om te verkondigen wie Jezus is en wat zijn boodschap inhoudt. Het zijn dus eerder theologische uiteenzettingen, niet in abstracte taal maar in de vorm van concrete, levendige verhalen - waarin bepaalde feiten van uit Jezus' leven worden geïnterpreteerd en desnoods een beetje naar de hand gezet in functie van het geloof in de verrezen Messias. Die verhalen lezend, is de eerste vraag dus niet 'Wat is er destijds precies gebeurd?' maar wel 'Wat wil de gewijde schrijver over Christus en zijn heil verkondigen?'. Die vraag moeten we dus ook vandaag stellen: Wat wil Lucas met zijn verhaal over Simeon en Hanna verkondigen over Christus en zijn heil?

De ontmoeting tussen Jezus en die twee is de derde, symboolrijke confrontatie tussen de pasgeborene en het mensdom.

De eerste had plaats in de stal. Rond het kind staan een onervaren moeder, een vrijwel naamloze vader en een paar onbelangrijke herders. Zo ontmoet Jezus het Joodse volk. De crème van de samenleving krijgt het kind niet te zien. Bij de pasgeborene zijn de plaatsen voorbehouden aan randfiguren, kleinen, zwakken, nuttelozen. Zo wordt in het kerstverhaal Jezus' hele leven samengebald in een notendop.

Daarna komen de wijzen in beeld: buitenlanders, niet-joden. Zij staan symbool voor de ontmoeting met de wereld. Voor de Christus is het Joodse volk niet langer het enige uitverkoren volk. Zijn Blijde Boodschap is er voor álle mensen. Grenzen worden opengegooid, iedereen gelijke kans op redding. In Christus is het uitverkoren volk: zij die zijn weg willen gaan.

In de derde ontmoeting legt Lucas de link tussen Jezus en de traditie, het verleden, verpersoonlijkt in Simeon en Hanna. Zodra het kind de tempel wordt binnengebracht, neemt Simeon, de vrome en wetgetrouwe jood, het in zijn armen en herkent erin de Messias waar het Oude Verbond zo verlangend naar heeft uitgezien: "Laat, Heer, nu uw knecht in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien."

Dan zegt Simeon iets merkwaardigs: "Dit kind zal een openbaring zijn voor de heidenen". In deze context past het woord 'heidenen' niet in de mond van een vertegenwoordiger van het Oude Verbond. Het oude Jodendom geloofde namelijk dat het heil voor de Joden bestemd was; niet-joden die er ook in wilden delen, moesten maar eerst tot het Jodendom toetreden.

Dat dit kind ‘een openbaring voor de heidenen’ wordt genoemd, is geen Simeonpraat maar Lucaspraat, en verwijst naar een discussie die in de beginjaren het jonge christendom een tijdlang in twee kampen verdeelde. De groep van Joodse strekking, waarbij Petrus aanleunde, vond dat de heidenen, die zich tot het christendom wilden bekeren, zich eerst als een Jood moesten laten besnijden. De groep rond Paulus vond dat men de heidenen die Joodse poespas niet kon aandoen: ze mochten rechtstreeks tot het christendom toetreden. Lucas, zelf een bekeerde heiden, stond uiteraard aan de kant van Paulus wiens gezel hij jarenlang is geweest. Zijn visie ter zake maakt hij duidelijk door de woorden die hij Simeon in de mond legt.

En dan is er nog Hanna. Zij is een profetes, staat er. We kennen beter profeten dan profetessen. Dat komt omdat de traditie van de kerk altijd veel te weinig aandacht heeft geschonken aan de rol van de vrouw in de Bijbel. Als profetes staat Hanna in de lijn van andere oudtestamentische profetessen, zoals Mirjam (Exodus 15,20), Debora (Rechters 4,4), Chulda (2 Koningen 22,14; 34,22) en nog andere.

Hanna was reeds vele jaren weduwe. Iemand zonder bestaanszekerheid. Haar 'bron van inkomsten' was immers overleden - als ik dat zo oneerbiedig mag formuleren. Weduwen waren dus veelal aangewezen op ondersteuning vanuit de tempel (Deuteronomium 14,29; 26,12). Niet te verwonderen dat Hanna in de buurt van de tempel vertoefde. Maar weduwen mochten dan wel tot de 'zwakke' klasse behoren, ze stonden alom bekend om de stevigheid van hun geloofsleven. Ook Hanna diende God met vasten en bidden, zegt onze tekst.

Over die Hanna is Lucas kort. Hij zegt alleen dat zij God looft en tegen iedereen die het horen wil gaat vertellen dat in Jezus de bevrijder van Jeruzalem is geboren. Dat laatste is een typische idee uit de profetische literatuur. Hanna belichaamt dan ook ten volle de profetische traditie.

Het mag duidelijk zijn dat we vandaag niet naar 'zomaar' een verhaaltje geluisterd hebben. Maar met de heilige familie heeft onze tekst niet veel van doen, tenzij misschien dit. Ooit zei Jezus: "Wie is mijn moeder? Wie zijn mijn broers en zussen? Dat zijn zij die, zoals mijn Vader het wil, meewerken aan de totstandkoming van het heil wereldwijd." Aan ons om onszelf te profileren als broers en zussen van Jezus, broers en zussen van elkaar, verenigd in die ene heilige familie, zoals God de mensheid heeft gedroomd.

Marc Christiaens o.p. (Schilde)

 
  Prekenlijst