| Preek van de week |
|
|
||
| 27 september - zesentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Numeri 11,25-29
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Hoeveel profetisme kan de kerk verdragen?
Het werd teveel voor Mozes. Hij zag het niet meer
zitten om dat grommelende, protesterende volk alleen door de woestijn te
begeleiden. Maar God grijpt in, zo staat in de Bijbel. Hij zal zijn
Geest uitgieten over 70 oudsten, die als een soort sociale assistenten
voortaan Mozes moeten bijstaan. Maar dan doet zich iets merkwaardig voor.
Plots blijkt dat er buiten de officiële structuur mensen zijn die als
profeten optreden en het volk de ogen openen. Jozua, de generaal die
orde en tucht wil, vraagt of hij niet moet ingrijpen, maar Mozes
reageert met de verzuchting ‘Ach, was iedereen maar profeet.’ Dit voorval is om vele redenen boeiend.
Allereerst bewijst het dat het niet noodzakelijk
binnen kerkelijke structuren is dat profeten opstaan en ons proberen de
ogen te openen. Waarom niet? Gewoon omdat de ogen openen dikwijls te
maken heeft met het leven eens anders bezien, of een schok krijgen om
wat ongemerkt om je heen gebeurt. Ieder mens kan zo onverwacht voor een
ander profetisch zijn als hij de gave bezit je de ogen te openen of je
enthousiast voor iets te krijgen.
In het bijbelse verhaal is het ook merkwaardig dat
onmiddellijk de generaal, de ordehandhaver, in actie komt en de sprekers
het zwijgen wil opleggen.
Dit verhaal vind ik om nog een andere reden bijzonder
boeiend. Mozes zegt wel ‘ach mocht iedereen een profeet zijn’, maar zou
hij dan nog niet meer kopzorgen hebben? Ik wil de vraag breder en
algemener formuleren: Hoeveel profetisme kan een gemeenschap of een kerk
aan? Stel dat hier iedereen met het besef zou rondlopen dat hij of zij
profetische gaven heeft en dus met de idee zit het altijd beter te weten
en meent op alles wat nu bestaat commentaar te moeten hebben. Ik geloof
dat ik aan mijn provinciale overste een overplaatsing zou aanvragen naar
een klein dorpje ergens in de bergen.
Maar ook omgekeerd: stel dat hier niemand tegen de
haren in strijkt, stel dat we elke zondag alleen maar zouden herhalen
hoe fantastisch we het hier doen, zou je dan geen indigestie krijgen? Of
zouden we niet gaan behoren tot dat publiek waar Jezus fel tegen tekeer
ging: ‘Meen niet dat je gered zult worden, omdat je een kind van Abraham
bent.’ Zonder profeten in de kerk, zonder dat profetische hier in deze
gemeenschap zouden we vervallen in de grootste zelfgenoegzaamheid.
Vandaar dat ik me deze week de vraag heb gesteld: hoe zou de dosering
moeten zijn tussen profetisme en ordening opdat een gemeenschap of een
kerk kan functioneren?
Maar misschien heb ik de zaken verkeerd voorgesteld.
Misschien is een profeet veel meer dan een verbale onruststoker. Keer ik
terug naar het verhaal uit de Bijbel, dan betekent hier profetisme ‘in
trance raken, spreken in extase’. Anders gezegd: de betekenis van
profeet is in de Bijbel zeer verscheiden en misschien hebben we er een
te eenzijdig beeld van overgehouden.
Misschien is een profeet allereerst een diep bewogen
mens, gegrepen door onrecht dat gebeurt en wil hij of zij op de eerste
plaats er zelf iets aan veranderen in de hoop anderen in zijn
enthousiasme mee te slepen. Misschien is een profeet iemand die zo
gegrepen is door Gods aanwezigheid dat hij of zij een visioen krijgt,
begint te zingen en te spreken in een beeldrijke taal die we nu nog niet
begrijpen. Misschien is een profeet iemand met voldoende kritische
afstand om tegenover courante opvattingen of kerkelijke en
maatschappelijke structuren een standpunt in te nemen dat origineel en
gedurfd is. In dat geval zou ik net als Mozes zeggen: ach, waren jullie
allemaal toch profeten!
Marcel Braekers o.p.
Bron:
Credo
|
| |