Preek van de week Elke week een nieuwe preek
     
  27 september - zesentwintigste zondag afdrukken  Word-document
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

 

Lezingen:

Numeri 11,25-29
Marcüs, 9,38-48

Wenst u de preken thuis in uw elektronische postbus te ontvangen?
U kunt intekenen op onze
verzendlijst
.

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Hoeveel profetisme kan de kerk verdragen?
 

Het werd teveel voor Mozes. Hij zag het niet meer zitten om dat grommelende, protesterende volk alleen door de woestijn te begeleiden. Maar God grijpt in, zo staat in de Bijbel. Hij zal zijn Geest uitgieten over 70 oudsten, die als een soort sociale assistenten voortaan Mozes moeten bijstaan. Maar dan doet zich iets merkwaardig voor. Plots blijkt dat er buiten de officiële structuur mensen zijn die als profeten optreden en het volk de ogen openen. Jozua, de generaal die orde en tucht wil, vraagt of hij niet moet ingrijpen, maar Mozes reageert met de verzuchting ‘Ach, was iedereen maar profeet.’

Dit voorval is om vele redenen boeiend.

Allereerst bewijst het dat het niet noodzakelijk binnen kerkelijke structuren is dat profeten opstaan en ons proberen de ogen te openen. Waarom niet? Gewoon omdat de ogen openen dikwijls te maken heeft met het leven eens anders bezien, of een schok krijgen om wat ongemerkt om je heen gebeurt. Ieder mens kan zo onverwacht voor een ander profetisch zijn als hij de gave bezit je de ogen te openen of je enthousiast voor iets te krijgen.

In het bijbelse verhaal is het ook merkwaardig dat onmiddellijk de generaal, de ordehandhaver, in actie komt en de sprekers het zwijgen wil opleggen.

Dit verhaal vind ik om nog een andere reden bijzonder boeiend. Mozes zegt wel ‘ach mocht iedereen een profeet zijn’, maar zou hij dan nog niet meer kopzorgen hebben? Ik wil de vraag breder en algemener formuleren: Hoeveel profetisme kan een gemeenschap of een kerk aan? Stel dat hier iedereen met het besef zou rondlopen dat hij of zij profetische gaven heeft en dus met de idee zit het altijd beter te weten en meent op alles wat nu bestaat commentaar te moeten hebben. Ik geloof dat ik aan mijn provinciale overste een overplaatsing zou aanvragen naar een klein dorpje ergens in de bergen.

Maar ook omgekeerd: stel dat hier niemand tegen de haren in strijkt, stel dat we elke zondag alleen maar zouden herhalen hoe fantastisch we het hier doen, zou je dan geen indigestie krijgen? Of zouden we niet gaan behoren tot dat publiek waar Jezus fel tegen tekeer ging: ‘Meen niet dat je gered zult worden, omdat je een kind van Abraham bent.’ Zonder profeten in de kerk, zonder dat profetische hier in deze gemeenschap zouden we vervallen in de grootste zelfgenoegzaamheid. Vandaar dat ik me deze week de vraag heb gesteld: hoe zou de dosering moeten zijn tussen profetisme en ordening opdat een gemeenschap of een kerk kan functioneren?

Maar misschien heb ik de zaken verkeerd voorgesteld. Misschien is een profeet veel meer dan een verbale onruststoker. Keer ik terug naar het verhaal uit de Bijbel, dan betekent hier profetisme ‘in trance raken, spreken in extase’. Anders gezegd: de betekenis van profeet is in de Bijbel zeer verscheiden en misschien hebben we er een te eenzijdig beeld van overgehouden.

Misschien is een profeet allereerst een diep bewogen mens, gegrepen door onrecht dat gebeurt en wil hij of zij op de eerste plaats er zelf iets aan veranderen in de hoop anderen in zijn enthousiasme mee te slepen. Misschien is een profeet iemand die zo gegrepen is door Gods aanwezigheid dat hij of zij een visioen krijgt, begint te zingen en te spreken in een beeldrijke taal die we nu nog niet begrijpen. Misschien is een profeet iemand met voldoende kritische afstand om tegenover courante opvattingen of kerkelijke en maatschappelijke structuren een standpunt in te nemen dat origineel en gedurfd is. In dat geval zou ik net als Mozes zeggen: ach, waren jullie allemaal toch profeten!

Marcel Braekers o.p.

Bron: Credo

 
  Prekenlijst