Preek van de week Elke week een nieuwe preek
     
  9 augustus - negentiende zondag afdrukken  Word-document
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

 

Lezingen:

1 Koningen 19,4-8
Efeziërs 4,30-5,2

Johannes 6,41-51

Wenst u de preken thuis in uw elektronische postbus te ontvangen?
U kunt intekenen op onze
verzendlijst
.

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

De diepgang van het dagelijks brood
 
Albert Schweitzer zei eens: 'Op z'n twintigste heeft iedereen het gezicht dat God hem gaf, op z'n veertigste het gezicht dat het leven hem gaf, op z'n zestigste het gezicht dat hij verdient.’ Misschien is dat wel wat kort door de bocht, maar er schuilt een ervaringswaarheid in: je bezit het leven niet als een vaste grootheid. Je moet het op de een of andere manier steeds opnieuw ontvangen, en wel door te kennen, te verstaan en te vertrouwen.

In het proces van onze menswording ligt een wereld van verwondering. Voor ieder van ons geldt dat we negen maanden lang uiterst fijnzinnig geweven worden inde schoot van een medemens. Als die medemens niet totaal ontwricht is, zal zij voortdurend bezig zijn die vrucht - die wij zijn - te leren kennen tot in de laatste details, iedere fase van onze ontwikkeling trachten te verstaan, en een band van intiem vertrouwen op te bouwen nog vóór de geboorte. Wij zijn allen ontstaan uit de liefdesdroom van twee medemensen en de incarnatie van dat wonder. Steeds weer nieuw, nooit een kopie, altijd heel eigen en vanaf het eerste moment een ‘tegenover’. In die tijd van levenswording, groeien en voeden wij onszelf met het lichaam en bloed van die lieve mens die onze 'moeder aarde' wil zijn, de 'mater' die onze 'materie' wil zijn.

Geest en vlees bereiken hier een vervlochtenheid die een mens nooit meer in die diepte zal ervaren. Wij worden geboren als spiegels van de liefde, die zich in ons kent en door ons groeit. En eenmaal aan het licht getreden, wacht diezelfde medemens ons op met een lichaam vol levensvreugde: tast, smaak en voedsel. Werden wij aanvankelijk onbewust gevoed door het vlees en bloed van onze moeder: tijdens de eerste schreden op de weg van het bewustzijn zoeken wij vol vertrouwen dat warme lijf dat we kennen en verstaan, en dat we van harte vertrouwen. En het voedt ons naar lichaam en geest. Ook als we langzaamaan binnentreden in het proces van opvoeding, zijn er steeds anderen nabij die ons met hun eigen leven, hun inzet en moeizaam verworven talenten tot voedsel dienen, en tegelijkertijd ons uitvoeren uit de hang naar identificatie en ons liefdevol dwingen zelf weer een beeld van levenslustig leven te worden. We vermenigvuldigen onze mogelijkheden door te delen.

Augustinus heeft zich eens laten ontvallen: 'Wie niet geestelijk is tot in zijn vlees, wordt vleselijk tot in zijn geest'. Wij zouden zeggen: wie het wonder van zijn oorsprong vergeet, en het leven ziet als eigendom, wordt steeds minder mens. Wie met een vinger naar een ander wijst, wijst tegelijkertijd met vier vingers naar zichzelf. In ons moet de echo klinken van de anderen, waardoor ook wij weer leven kunnen schenken. Hoewel we alles ontvangen hebben, wordt niets ons eigendom. Dat is een forse les die ons te wachten staat, en die grote moed vraagt om geleerd en geleefd te worden. Maar we hoeven het niet alleen te doen. Een Arabisch spreekwoord zegt: 'Kom naar me toe met je hart, en ik zal je mijn ogen geven'. Als je hart kan kloppen in de ander, zul je met zijn of haar ogen kunnen zien, en de wereld zal groter en diepzinniger zijn.

De weg naar de ontmoeting

Wanneer Elia op de vlucht is van het Noordrijk naar het Zuidrijk, weg van de feeks Izebel, is hij de moed kwijt. Het lijkt zo vanzelfsprekend voor hem dat mensen met God leven, de God die mensen doet leven. Hij denkt na over zijn eigen gewelddadigheid, die het leven wil dwingen door anderen te doden, en hij is de weg kwijt. Hoe zou hij eten en drinken als er niet meer te leven valt. Waarom nog verder gaan? Als hij denkt over de macht van God, die zich nu eens toont, en dan weer ver weg lijkt, is er geen verschil meer tussen Noord en Zuid. Maar een bode van God, een boodschap van God, een nieuwe gedachte over God, wekt hem tot nieuw leven, en hij gaat in de voetsporen van Mozes de berg op om zijn God te ontmoeten.

Al wat voorbereid door de ervaring dat een ander (de Ander) hem wil doen leven, zal hij tot zijn vreugde en verwondering ontdekken dat God niet in het geweld woont, maar vooruitziet - voor-ziet -, en hem toekomst biedt door een nieuwe toekomst voor Israël. Hij is er niet voor zichzelf - uit den hoge - maar voor het welzijn van anderen. Vaak moeten wij een bepaalde weg die we gevolgd hebben, in de omgekeerde richting afleggen omdat we ons oriëntatiepunt verloren hebben. Nooit waren we er voor ons eigen gelijk: zelfs als je het hebt, word je eenzaam. We zijn in het leven geroepen om gelijk te zijn, en dat kan pas als het hart naar de ander uitgaat, zodat we met de ogen van anderen kunnen zien. Er blijven altijd velen te vinden die dezelfde weg zoeken, en bondgenoten kunnen worden.

Geen grote woorden, maar een klein gebaar

Van bisschop Helder Camara is een woord bekend: 'Als de bomen de mensen zien lopen, hebben ze medelijden; ze denken dat we meewaaien met de wind omdat we niet vastgeworteld staan.’ Groot en klein zijn maar betrekkelijk, en iedere begeerte om vast te stellen wat de pikorde in de werkelijkheid is, moet wel gefrustreerd raken, omdat we allemaal ledematen zijn van hetzelfde lichaam. Paulus laat ons vandaag weten dat we niets bijzonders hoeven te doen om christenen te zijn. We hoeven ons alleen te herinneren dat we als nieuwe mens geboren werden, uit liefde, voor liefde en door liefde. Als we onderweg op de gedachte gekomen zijn een nieuwe mens te worden, zijn we het spoor bijster. Dan leven we uit vergelijkingen, en als die over meer of minder gaan, leiden ze altijd tot ongeluk, vervreemding en duisternis.

Wie uit vergelijking leeft, trekt altijd aan het kortste eind, ofwel door te menen niets te hebben dat kostbaar is, ofwel door te menen dat iedereen onze kostbaarheden wil stelen, zodat we ons moeten afsluiten van iedereen, zoals elke dictator doet. Paulus vindt dat het al goed is als we gewoon de kost verdienen Ge kunt nog eens iets weggeven en iemand een plezier doen), gewoon zeggen wat waar is; als je het niet kunt laten boos te worden, ga er niet in wonen; heb een goed woord voor degene die je ontmoet, en wees gewoon goed en hartelijk voor elkaar. Je zou je afvragen waarom God zulke extreme wegen gaat om ons vrij te maken, als je ook gewoon kunt doen wat uit je eigen hart al voortvloeit. Maar het geheim zit natuurlijk in de liefde, die het meest gewone is dat je maar kunt denken, en toch altijd een wonder waar de wereld van ondersteboven raakt.

Toen Jezus zei dat zijn hart en zijn woorden uit de hemel kwamen, kon men hem niet geloven, want wie kan geloven dat God intiem is met een gewone mens, van wie je weet waar hij woont, wie zijn familie is, en wat voor kleren hij draagt? En wie wilde toegeven dat het wonder steeds herhaald wordt, dat mensen zich in elkaar uitstorten om de liefde een gelaat te geven dat je aanziet en glimlacht? En wie zou durven zeggen eeuwigheidsleven te leven, terwijl hij of zij de tafel dekt en leven deelt met de geliefden, zomaar iedere dag, zelfs op afgesproken uren?

Alsof we niet allemaal geboren zijn uit zulk een liefde, verlangen naar zulk een liefde, en een hemelse mens kunnen worden op het moment waarop we onszelf in de ander kunnen verliezen, zomaar in blind vertrouwen, elkaar bekennend, tot elkaar komend, in elkaar komend, toekomst scheppend uit een moment van eeuwigheid! Dit is toch Jezus, de zoon van Jozef? Dat ben jij toch, die naast mij zit, die met mij oploopt, die mij tegemoetkomt, die aan de overkant woont, die ik in het verpleeghuis ga opzoeken iedere dag, die ik met een glimlach hoor zingen, die ik zie dansen als je naar je werk gaat? Ja, en toch...

Wie dat kan geloven, bezit eeuwigheidsleven, en vreest de dood niet. Het is als manna dat voor één dag verzameld wordt, want wat is er symfonischer dan in vertrouwen leven. Laten we daarom ophouden met morren en betweterig zijn. In het kleine wonder van elke dag, de oogopslag van een kwetsbare mens, de gedekte tafel van iedere morgen, de mond die mij 'welterusten' wenst, de hand die op mijn schouder ligt, zomaar, heel even... eeuwig leven.

  Carlos Spoor o.p.

Dit is een ingekorte versie van een preek die eerder verschenen is in Kerugma 1999-2000, p. 96-100

 
  Prekenlijst