| Preek van de week |
|
|
||
| 9 augustus - negentiende zondag |
|
|
Lezingen:
1 Koningen 19,4-8
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
De diepgang van het dagelijks brood In het proces van onze menswording ligt een wereld
van verwondering. Voor ieder van ons geldt dat we negen maanden lang
uiterst fijnzinnig geweven worden inde schoot van een medemens. Als die
medemens niet totaal ontwricht is, zal zij voortdurend bezig zijn die
vrucht - die wij zijn - te leren kennen tot in de laatste details,
iedere fase van onze ontwikkeling trachten te verstaan, en een band van
intiem vertrouwen op te bouwen nog vóór de geboorte. Wij zijn allen
ontstaan uit de liefdesdroom van twee medemensen en de incarnatie van
dat wonder. Steeds weer nieuw, nooit een kopie, altijd heel eigen en
vanaf het eerste moment een ‘tegenover’. In die tijd van levenswording,
groeien en voeden wij onszelf met het lichaam en bloed van die lieve
mens die onze 'moeder aarde' wil zijn, de 'mater' die onze 'materie' wil
zijn.
Geest en vlees bereiken hier een vervlochtenheid die
een mens nooit meer in die diepte zal ervaren. Wij worden geboren als
spiegels van de liefde, die zich in ons kent en door ons groeit. En
eenmaal aan het licht getreden, wacht diezelfde medemens ons op met een
lichaam vol levensvreugde: tast, smaak en voedsel. Werden wij
aanvankelijk onbewust gevoed door het vlees en bloed van onze moeder:
tijdens de eerste schreden op de weg van het bewustzijn zoeken wij vol
vertrouwen dat warme lijf dat we kennen en verstaan, en dat we van harte
vertrouwen. En het voedt ons naar lichaam en geest. Ook als we
langzaamaan binnentreden in het proces van opvoeding, zijn er steeds
anderen nabij die ons met hun eigen leven, hun inzet en moeizaam
verworven talenten tot voedsel dienen, en tegelijkertijd ons uitvoeren
uit de hang naar identificatie en ons liefdevol dwingen zelf weer een
beeld van levenslustig leven te worden. We vermenigvuldigen onze
mogelijkheden door te delen.
Augustinus heeft zich eens laten ontvallen: 'Wie niet
geestelijk is tot in zijn vlees, wordt vleselijk tot in zijn geest'. Wij
zouden zeggen: wie het wonder van zijn oorsprong vergeet, en het leven
ziet als eigendom, wordt steeds minder mens. Wie met een vinger naar een
ander wijst, wijst tegelijkertijd met vier vingers naar zichzelf. In ons
moet de echo klinken van de anderen, waardoor ook wij weer leven kunnen
schenken. Hoewel we alles ontvangen hebben, wordt niets ons eigendom.
Dat is een forse les die ons te wachten staat, en die grote moed vraagt
om geleerd en geleefd te worden. Maar we hoeven het niet alleen te doen.
Een Arabisch spreekwoord zegt: 'Kom naar me toe met je hart, en ik zal
je mijn ogen geven'. Als je hart kan kloppen in de ander, zul je met
zijn of haar ogen kunnen zien, en de wereld zal groter en diepzinniger
zijn.
De weg naar de ontmoeting
Wanneer Elia op de vlucht is van het Noordrijk naar
het Zuidrijk, weg van de feeks Izebel, is hij de moed kwijt. Het lijkt
zo vanzelfsprekend voor hem dat mensen met God leven, de God die mensen
doet leven. Hij denkt na over zijn eigen gewelddadigheid, die het leven
wil dwingen door anderen te doden, en hij is de weg kwijt. Hoe zou hij
eten en drinken als er niet meer te leven valt. Waarom nog verder gaan?
Als hij denkt over de macht van God, die zich nu eens toont, en dan weer
ver weg lijkt, is er geen verschil meer tussen Noord en Zuid. Maar een
bode van God, een boodschap van God, een nieuwe gedachte over God, wekt
hem tot nieuw leven, en hij gaat in de voetsporen van Mozes de berg op
om zijn God te ontmoeten.
Al wat voorbereid door de ervaring dat een ander (de
Ander) hem wil doen leven, zal hij tot zijn vreugde en verwondering
ontdekken dat God niet in het geweld woont, maar vooruitziet - voor-ziet
-, en hem toekomst biedt door een nieuwe toekomst voor Israël. Hij is er
niet voor zichzelf - uit den hoge - maar voor het welzijn van anderen.
Vaak moeten wij een bepaalde weg die we gevolgd hebben, in de omgekeerde
richting afleggen omdat we ons oriëntatiepunt verloren hebben. Nooit
waren we er voor ons eigen gelijk: zelfs als je het hebt, word je
eenzaam. We zijn in het leven geroepen om gelijk te zijn, en dat kan pas
als het hart naar de ander uitgaat, zodat we met de ogen van anderen
kunnen zien. Er blijven altijd velen te vinden die dezelfde weg zoeken,
en bondgenoten kunnen worden.
Geen grote woorden, maar een klein gebaar
Van bisschop Helder Camara is een woord bekend: 'Als
de bomen de mensen zien lopen, hebben ze medelijden; ze denken dat we
meewaaien met de wind omdat we niet vastgeworteld staan.’ Groot en klein
zijn maar betrekkelijk, en iedere begeerte om vast te stellen wat de
pikorde in de werkelijkheid is, moet wel gefrustreerd raken, omdat we
allemaal ledematen zijn van hetzelfde lichaam. Paulus laat ons vandaag
weten dat we niets bijzonders hoeven te doen om christenen te zijn. We
hoeven ons alleen te herinneren dat we als nieuwe mens geboren werden,
uit liefde, voor liefde en door liefde. Als we onderweg op de gedachte
gekomen zijn een nieuwe mens te worden, zijn we het spoor bijster. Dan
leven we uit vergelijkingen, en als die over meer of minder gaan, leiden
ze altijd tot ongeluk, vervreemding en duisternis.
Wie uit vergelijking leeft, trekt altijd aan het
kortste eind, ofwel door te menen niets te hebben dat kostbaar is, ofwel
door te menen dat iedereen onze kostbaarheden wil stelen, zodat we ons
moeten afsluiten van iedereen, zoals elke dictator doet. Paulus vindt
dat het al goed is als we gewoon de kost verdienen Ge kunt nog eens iets
weggeven en iemand een plezier doen), gewoon zeggen wat waar is; als je
het niet kunt laten boos te worden, ga er niet in wonen; heb een goed
woord voor degene die je ontmoet, en wees gewoon goed en hartelijk voor
elkaar. Je zou je afvragen waarom God zulke extreme wegen gaat om ons
vrij te maken, als je ook gewoon kunt doen wat uit je eigen hart al
voortvloeit. Maar het geheim zit natuurlijk in de liefde, die het meest
gewone is dat je maar kunt denken, en toch altijd een wonder waar de
wereld van ondersteboven raakt.
Toen Jezus zei dat zijn hart en zijn woorden uit de
hemel kwamen, kon men hem niet geloven, want wie kan geloven dat God
intiem is met een gewone mens, van wie je weet waar hij woont, wie
zijn familie is, en wat voor kleren hij draagt? En wie wilde toegeven
dat het wonder steeds herhaald wordt, dat mensen zich in elkaar
uitstorten om de liefde een gelaat te geven dat je aanziet en glimlacht?
En wie zou durven zeggen eeuwigheidsleven te leven, terwijl hij of zij
de tafel dekt en leven deelt met de geliefden, zomaar iedere dag, zelfs
op afgesproken uren?
Alsof we niet allemaal geboren zijn uit zulk een
liefde, verlangen naar zulk een liefde, en een hemelse mens kunnen
worden op het moment waarop we onszelf in de ander kunnen verliezen,
zomaar in blind vertrouwen, elkaar bekennend, tot elkaar komend, in
elkaar komend, toekomst scheppend uit een moment van eeuwigheid! Dit is
toch Jezus, de zoon van Jozef? Dat ben jij toch, die naast mij zit, die
met mij oploopt, die mij tegemoetkomt, die aan de overkant woont, die ik
in het verpleeghuis ga opzoeken iedere dag, die ik met een glimlach hoor
zingen, die ik zie dansen als je naar je werk gaat? Ja, en toch...
Wie dat kan geloven, bezit eeuwigheidsleven, en
vreest de dood niet. Het is als manna dat voor één dag verzameld wordt,
want wat is er symfonischer dan in vertrouwen leven. Laten we daarom
ophouden met morren en betweterig zijn. In het kleine wonder van elke
dag, de oogopslag van een kwetsbare mens, de gedekte tafel van iedere
morgen, de mond die mij 'welterusten' wenst, de hand die op mijn
schouder ligt, zomaar, heel even... eeuwig leven.
Carlos Spoor o.p. Dit is een ingekorte versie van
een preek die eerder verschenen is in Kerugma 1999-2000, p.
96-100 |
| |