| Preek van de week |
|
|
||
| 26 juli - zeventiende zondag |
|
|
Lezingen:
2 Koningen 4,42-44
Wenst u de preken thuis in uw
elektronische postbus te ontvangen?
U kunt reageren
|
|||||||||
|
Het teken van de brooduitdeling
‘Jezus trok het
gebergte in en ging daar zitten met zijn leerlingen... Toen Hij zijn ogen
opsloeg, zag hij dat een massa mensen naar Hem toestroomde." Een teken is een aanwijzing. Een wegwijzer bv. is een
teken dat aangeeft welke richting je moet inslaan om te komen bij de
plaats die je zoekt. Dat teken is nodig omdat, wat aangewezen wordt, nog
niet zichtbaar is. Een bordje met 'bushalte' langs de weg is ook zo'n
teken: als je daar blijf wachten, dan komt daar de bus die je hebben
moet. Op zich heeft dat bordje nauwelijks betekenis: hoe het eruit ziet,
wanneer of door wie het geplaatst werd, is totaal onbelangrijk. Het enig
belangrijke aan dat bordje is de link met de autobus. Dat bord, die
wegwijzer is slechts relevant als teken, als verwijzing, als instrument
van bemiddeling tussen wat nog verborgen is of nog niet zichtbaar, en de
mens die ernaar op zoek is. Als Jezus over zichzelf praat, dan klinkt dat vaak
alsof ook hij een teken is: "Wie mij ziet, ziet de Vader"; wie mij met
de juiste ogen aankijkt, wie kijkt in de richting die ik aanwijs, komt
bij de Vader uit. Als Jezus een wonder doet - zegt Johannes - dan is ook
dat een teken, een richtingwijzer hoe je naar de Vader op weg moet gaan.
Andere overwegingen i.v.m. 'wonderen' zijn nauwelijks of niet ter zake. Terug naar de broodvermenigvuldiging. Zo noemen wíj
dit verhaal gemakshalve, maar in de tekst staat dat woord niet. Er staat
nergens dat Jezus van vijf gerstebroden er vijfduizend heeft gemaakt. Er
is wel sprake van 'delen' (v. 11). Dat is wat anders dan
vermenigvuldigen! De vier evangelisten vertellen in totaal zes keer dit
verhaal. Geen van de zes vertelt duidelijk wat daar op die berg precies
gebeurd is. Het begint telkens met enkele broden en wat vis; Jezus neemt
ze aan, dankt de Vader ervoor, deelt ze uit of laat ze uitdelen. En
telkens eindigt het met manden vol broodoverschot. Wat tussen dat begin
en het einde is gebeurd, blijft onvermeld. Daarvan kunnen we ons dus
vrij een eigen voorstelling maken. Het wat en het hoe van een wonder
doet immers niet echt ter zake... Behalve op één punt: het wonder moet
een teken zijn; er moet uit blijken dat Jezus de mensen van toen - en
ook van nu - een aanwijzing geeft welke richting ze uitmoeten met onze
wereld, de richting namelijk die zijn Vader gedroomd heeft toen Die de
mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis, en die mens aanstelde tot
beheerder van de schepping. Op voorwaarde dat dit tekenkarakter
gegarandeerd is, zijn we dus vrij om zelf in te vullen wat er met dat
brood zoal kan gebeurd zijn. Wat mij betreft, stel ik mij de gang van zaken als
volgt voor. Vijfduizend mensen zijn Jezus achterna gelopen. Een
aantal zonder proviand; anderen hadden wel hun knapzak bij, voor
zichzelf of voor hun gezin; maar niet berekend op de lege magen van
andere meelopers. En dan is er die indrukwekkende Jezusfiguur. Hij
spreekt over de komst van het Rijk Gods onder de mensen. Een van de toehoorders heeft zin om iets te eten.
Omkijkend ziet hij een man onderdrukt geeuwen - die heeft blijkbaar ook
honger. Hij besefte plots dat het brood in zijn knapzak eigenlijk voor
hen beiden bestemd is. Een wat ongemakkelijke gedachte: moet hij die man
een boterham aanbieden of niet? Zover komt het niet; integendeel, ook
voor zichzelf durft hij niet iets uit zijn knapzak halen. Toen er gevraagd werd wie er eten bij zich had, gaf
hij zijn brood door tot bij Jezus. Die nam het aan en sprak een
dankgebed uit. Toen Hij het brood brak, begon iedereen het brood
dat hij bij zich had te breken en te delen met wie geen had. En dan kan
het best dat op het eind, toen iedereen voldaan was en er opgeruimd werd,
elke apostel met een volle mand overschot kwam aanzetten. De moraal van het verhaal wordt dan: In Jezus'
tegenwoordigheid kan een groep individuen omgevormd worden tot een
gemeenschap. In zijn tegenwoordigheid kunnen wij omgevormd worden tot,
wat genoemd wordt, 'volk van God'. Het brood, dat wij 'als kinderen van
dezelfde Vader' breken, kan onder onze handen vermeerderen: het weinige
dat vanuit een goed hart gedeeld wordt, kan velen redden van de honger.
Als dat geen wonder is. Misschien vindt u dat ik het bovennatuurlijke van de
brooduitdeling teveel heb weggeredeneerd. Geen probleem. 'Wat er precies
zou kunnen gebeurd zijn' mag u rustig naar eigen goeddunken invullen.
Alleen mag u niet vergeten dat, wat wij een 'wonder' noemen, niets met
toverij te maken heeft, dat onze evangelist het woord 'wonder' zelfs
niet in de mond neemt, en dat hij het enkel heeft over 'tekenen' die
Jezus deed. Zich fixeren op het onverklaarbare of het
buitengewone van het gebeuren, houdt overigens het risico van
misverstaan in. Dat overkwam die massa die het destijds aan de lijve had
meegemaakt. Van wat ze gezien hadden, waren ze zeer onder de indruk. Zo
iemand laat je niet zomaar gaan. Die zal ook andere problemen in een
handomdraai kunnen oplossen. Die zal ook op andere terreinen menselijke
verhoudingen ten goede kunnen keren. Zo'n man wilden ze als koning, een
koning die voor hen Gods hemel op aarde zou realiseren. Ze hadden het teken niet begrepen. Ze hadden niet
begrepen dat "uw Rijk kome, uw wil geschiede op aarde als in de hemel"
geen koningszaak is maar een zaak van allen: samen Gods goedheid
vermenigvuldigen door voor elkaar delende mensen te zijn. En toen de menigte zich van hem wilde meester maken
om hem tot koning uit te roepen, besefte Jezus dat tegen hun fanatiek
enthousiasme geen kruid gewassen was. Hij trok zich dus terug, geheel
alleen, dieper het gebergte in. Morgen, zo dacht hij, als een en ander
bekoeld is, zal ik het teken van de brooduitdeling nog eens uitvoerig
uitleggen. Misschien lukt het me alsnog om hun dat misverstand over dat
koningschap uit het hoofd te praten. En hoe het Jezus 's anderendaags verging, dat
verneemt u in de evangelielezing van volgende week. Marc Christiaens o.p. (Schilde) Inspiratiebron: Jörg Zink, Er is nog
hoop. Hilversum, Gooi en Sticht, 1981², blz. 49-67 |
| |