| Preek van de week |
| 28 juni - dertiende zondag |
|
|
Lezingen:
Wijsheid
1,13-15.2,23-24
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Aan het leven teruggegeven Jaïrus! Een van de
leiders van de synagoge, een belangrijk man dus. Zijn dochter is twaalf
jaar oud. In die tijd was dat een leeftijd om te huwen, om de eigen weg te
gaan. Geen kleine meid meer. En toch wordt ze nog ‘dochtertje’
genoemd. Zij ligt voor dood op haar bed. Maar hoe heet ze? Nergens vinden
we haar naam. Dat een leider van de synagoge aan Jezus hulp kwam
vragen was niet vanzelfsprekend. Hij was dus wel echt ten einde raad.
Ontzettend bang dat hij zijn kind zou verliezen. Maar hij was er zich nog
niet van bewust dat hij zijn dochtertje moest loslaten om zijn
dochter te behouden. Hij was nog te fel bekommerd om ‘zijn’
dochtertje. Ze mocht nog niet van iemand anders worden. Haar enige
identificatie was nog ‘dochtertje van Jaïrus'.
Jezus wilde Jaïrus onmiddellijk helpen. Onderweg werden
ze echter opgehouden door een zieke vrouw. Zij bloedde al 12 jaar. Door
die bloedingen was ze onrein, dus niet geschikt voor de omgang met God of
de samenleving, en dat al 12 jaar lang. Ze had al die jaren al het
mogelijke en onmogelijke gedaan opdat het bloeden zou ophouden en ze weer
rein zou worden, terug opgenomen in de samenleving, terug naar de synagoge
kunnen gaan om er aan de feesten en offers te kunnen deelnemen. Die vrouw
was net als Jaïrus ten einde raad. Een vrouw in haar situatie zou zich
niet in een menigte mogen begeven en zeker niet iemand opzettelijk
aanraken. Maar hoe heet die vrouw? Nergens vinden we haar naam. Haar enige
identificatie is: zieke vrouw. Jezus wilde ook haar onmiddellijk helpen,
maar ze moest zich bekend maken. Ze mocht niet verborgen blijven in de
massa. Ze moest persoonlijk contact nemen met Jezus, niet heimelijk zijn
mantel aanraken. Pas als zij zelf aan Jezus haar volledige waarheid
vertelde werd ze echt genezen en kreeg ze weer haar plaats in de synagoge
en in de samenleving.
In dit evangelie gaat het over ‘onze naam’. Niet
onze familienaam, maar onze voornaam. Die voornaam is ook onze doopnaam.
We zijn natuurlijk allemaal zoon of dochter van onze ouders. Maar welk
beroep, welke status, welke beroemde familienaam onze ouders hebben of
hadden is geen verontschuldiging of geen voorwendsel of geen vrijgeleide
om niet te worden wie we in Gods ogen kunnen zijn, kunnen worden. God kent
ons alleen met onze eigen naam, onze voornaam. God leidt niet van de
geschiedenis van onze ouders of voorouders af wie we zijn. God kent ons
alleen zoals wij nu op dit moment zijn. God kent ons niet als dochter of
zoontje van…, of ook niet als man of vrouw met die kwaal… Hij weet dat
we de dochter of de zoon zijn van… Hij weet dat we sukkelen met dit of
met dat, maar bij God telt op de eerste plaats wie we zijn en daar staat
onze naam voor.
Het is niet puur toeval dat die zieke vrouw Jezus
tegenhoudt om naar de stervende dochter te gaan. Zo krijgt Jaïrus meer
tijd om zijn ‘klein lief dochtertje’ los te laten en haar de ‘volwassen
dochter die haar eigen weg moet gaan’ te laten worden. Jezus zegt dat ze
niet dood is, maar slaapt. Als we slapen leven we, maar het leven gaat
verder zonder dat we het weten, en wanneer we tijdens onze slaap dromen
wordt de realiteit van het leven soms helemaal vervormd. Al het volk dat ondertussen naar het zogezegde dode
dochtertje van Jaïrus gekomen is, lacht Jezus uit als hij zegt dat ze
slaapt. Het is de lach van het ongeloof. De lach van het ‘beter weten’.
Ongeloof, ‘beter weten’ houdt de dingen in stand zoals de betweters
denken dat ze moeten zijn. Ongeloof, ‘beter weten’ staat het geloof
– het zoekende en vermoedende geloof – in de weg. Waar ongeloof en ‘beter
weten’ het voor het zeggen hebben, kunnen geen wonderen gebeuren, daar
kunnen mensen niet evolueren, niet veranderen, niet groeien, niet genezen,
niet zichzelf worden. Daarom stuurde Jezus de lachers weg en mochten alleen
de ouders en enkele bevoorrechte leerlingen als getuigen mee naar binnen.
Jaïrus had aan Jezus gevraagd zijn dochtertje de handen op te leggen
opdat ze zou genezen. Maar Jezus wist dat aan die dochter van Jaïrus al
veel te veel was opgelegd. Hij pakte haar hand vast en zei: ‘sta op’.
En tegen de ouders: ‘geef haar te eten’. In die enkele zinnen zit heel veel symboliek. Als slot: een gedicht van Ida Gerhardt Het dochtertje van Jaïrus Zij zagen haar verwonderd aan
Het rouwmisbaar, het klaaggeluid, Stil nu: hij stelt als simpele wet M.-Louise Verlinden |
| |