| Preek van de week |
| 20 maart - Witte Donderdag |
|
|
Lezing:
Deuteronomium 26,1-9
U kunt
reageren |
||||||||
|
Gods roepstem
Vooraf: We kiezen als Schriftlezing voor deze viering een basistekst
uit Deuteronomium: "Dan moet u staande voor de heer uw God, het woord
nemen en zeggen: 'Mijn vader was een zwervende Arameër…'." We staan hier
voor de oudste geloofsbelijdenis die in Israël ooit werd uitgesproken. Hun
credo. Oorspronkelijk uitgesproken als een soort offerandegebed. Zoals
blijkt uit de volgende zin: "hierbij breng ik u de eerste opbrengst van
het land dat u me gegeven hebt". Een blijk van erkentelijkheid, van
dankbaarheid om het land dat ze als geschenk ervaren hebben. Daarom bracht
men de eerste vruchten van de grond om ze aan God te offeren. Omdat men
het land van hem gekregen had, hoorden de eerste vruchten van de grond hem
toe. Gaandeweg is dit gebed uitgegroeid tot een
geloofsbelijdenis. Een vaste formule waarin mensen hun diepe
geloofsovertuiging verwoorden. Het is een geloofsbelijdenis die er anders
uitziet dan wat wij gewoon zijn. Hier worden geen geloofsartikelen
uitgesproken. Hier wordt een hele geschiedenis opgeroepen. Vanaf de
allerverste herinnering tot op vandaag wordt een hele spanningsboog voor
de geest geroepen. Een eeuwenlange geschiedenis van mensen op zoek naar
een land om te wonen en naar een leven dat die naam waard is. Op zoek naar
welvaart en vrede, naar toekomst voor het nageslacht, naar recht voor wees
en weduwe. Worstelend met de mysterieuze mengeling van liefde en haat die
ons leven is, vreugde en verdriet, honger en leed, verlies en geluk. In
armoede en rijkdom een weg zoeken die ons leert leven in betrokkenheid op
elkaar. Want dat is de voorwaarde zonder welke het leven niet 'vol' is.
Alleen wanneer er samenhorigheid is en medeleven en compassie, alleen dan
is het land dat ze bewonen een plek die overvloeit van melk en honing. Deze oudste geloofsbelijdenis gaat niet over God ver
boven ons, niet over onbegrijpelijke waarheden waar we met ons verstand
niet bij kunnen. Het gaat over de heel concrete menselijke geschiedenis.
Over oorlog en vrede, onderdrukking en bevrijding. Dat hebben ze
meegemaakt. Daarin hebben ze een roepstem beluisterd die hen bezwoer op
weg te gaan. Abraham de zwervende Arameër diende weg te trekken uit een
bestaan waar alles vast lag: onwrikbaar geregeld door ondoorzichtige
goddelijke machten. Mozes die zijn mensen diende weg te leiden uit hun
slavenbestaan. De woestijn door. Een lange onherbergzame tocht zonder eten
of drinken. Maar waar ze leerden elkaar op de been te houden. Die zorg
maakte de barre tocht tot begaanbare weg. Zo hebben ze vertrouwdheid
geleerd met een roepstem die hen deed opstaan, telkens weer. Dwars door
alle noodlotsgedachten heen, door alle moedeloosheid en cynisme heen.
Al gaande de weg hebben mensen vertrouwdheid geoefend
met die roepstem. Door er zich aan over te geven mochten ze ervaren dat
die stem hen voerde naar een plek waar het goed leven is. Meer dan welk
beeld ook is dat van de roepstem een beeld dat bij God hoort. Aangesproken
worden op je eigen verantwoordelijkheid, op je eigen geweten.
Deze hele geschiedenis zou bij elke viering van het
paasfeest herinnerd worden. Herinneren is te zwak gezegd. Het gaat er niet
om dat we even mijmeren over een ver verleden. Het gaat om het aanwezig
stellen van die hele geschiedenis waar mensen zelf deel van uitmaken, deel
van zijn. Zoals ook Jezus deed toen hij die avond met zijn leerlingen het
paasmaal ging vieren.
Wat toen gebeurde, kan ook vandaag gebeuren, telkens
weer. Zoals wij ons in de geschiedenis van Jezus plaatsen. Wat met hem
gebeurd is, is geen doods verleden. Het is diezelfde roepstem die zijn
bestaan bezielde: de roepstem die de geschiedenis wil omvormen tot leven
en geluk voor alle mensen. Het is de roepstem die ook ons bestaan wil
openen naar een bestaan als broers en zusters van elkaar. Zo willen ook
wij met elkaar deze maaltijd vieren. Als gedachtenis, levende gedachtenis
aan die hele geschiedenis van opstanding en bevrijding. Een geschiedenis
waartoe ook wij worden opgeroepen
Ignace D'hert o.p. |
| |