| Preek van de week |
| 24 februari - derde vastenzondag |
|
|
Lezingen:
Exodus 17,3-7
U kunt
reageren |
||||||||
|
Bron van levend water
Het verhaal over de Samaritaanse vrouw doet denken aan een passage
in het boek Genesis: "Bij de bron gebeuren tedere dingen." Ook dit
verhaal heeft iets van een idylle bij de bron. Een ketterse,
zondige vrouw zal daar bij de bron die wondere man Jezus beter
leren kennen. Het antwoord daagt in de loop van het verhaal op in een
spel van vraag en antwoord. Langs de weg van begrip en misverstand klaart
geleidelijk de nevel op en zo worden de Samaritaanse vrouw, maar ook wij
die het verhaal lezen, binnengevoerd in het Christusmysterie. Jezus neemt het initiatief voor dit gesprek.
Veelzeggend is dat hij hierbij twee taboes doorbreekt: het was voor een
Joodse rabbi met zelfrespect ongebruikelijk dat hij met een vrouw alléén
een gesprek aanknoopte, en daarenboven met een Samaritaanse. Als Jood wist
Jezus hij dat Samaritanen beschouwd werden onreine, ketterse personen. Men
begrijpt dat de vrouw zich verwonderde over Jezus’ manier van doen. Door te beginnen met een vraag stelde Jezus zich
kwetsbaar op. Jezus benaderde mensen nooit opdringerig noch hooghartig. Op
haar verbazing antwoordde hij met een vrij mysterieus openbaringswoord.
Hij, de dorstige vragende persoon, stelde zich voor als iemand die haar
een goddelijke gave kon geven: levend water, met een herscheppende,
verkwikkende kracht. Hiermee bedoelde hij de 'gave van de Geest', de Geest
die hij kan laten opborrelen in het hart van mensen.die er zich voor open
stellen.
Dat levende water is het symbool van de Geest, bron van
echt en duurzaam, goddelijk, eeuwig leven. Dat water impliceert een
afsterven aan de ik-zucht. Zich laven aan dat water doet een verkwikkende
kracht opborrelen in het hart van de vrouw, en in het hart van ieder van
ons. En inderdaad, wie zich laaft aan die bron krijgt in eeuwigheid geen
dorst meer.
Ook al begreep de vrouw die woorden niet , het feit dat
Jezus haar blijkbaar heel goed kende en toch met haar in gesprek trad,
niettegenstaande haar wispelturig leven, schiep een vertrouwensrelatie. Ze
ging Jezus zien als een profeet!
In het bronwater van de Jacobsput werd het gebeuren
weerspiegeld van iemand die ervaarde dat ze door Jezus graag werd gezien.
Die vertrouwensrelatie werkte voor de vrouw bevrijdend. Door hem gekend én
aanvaard te worden, ook in haar schaduwkanten, was voor haar een heerlijke
ervaring. En ook al ontgaat het de vrouw eerst dat ze oog in oog stond met
de Messias, er was een hele weg afgelegd tussen het begin en het einde van
het verhaal. Een weg van het groeiende geloof, een weg van de ontmoeting
met Jezus die zich steeds beter liet kennen aan de mens die dorst had naar
waarheid en geluk. Aan het einde van deze ontmoetingsweg zei de vrouw:
"Heer, nu begrijp ik dat u een profeet bent.en ik weet dat als de Messias
komt, hij ons alles zal verkondigen." En Jezus: "Dat ben ik die hier met u
spreek." Met die typische ik-benuitspraak, die we ook verderop in het
Johannesevangelie tegenkomen, gaf hij zijn goddelijke openbaringswaarde te
kennen. Het is bevrijdend en geruststellend – voor de vrouw én ook voor
alle gelovige mensen- dat Jezus in het verhaal zijn zelfopenbaring zo
duidelijk uitsprak.
Door haar geloof in Jezus als de Messias, werd de vrouw
‘bron-vrouw‘: zelf een overtuigde bron van geloof. Water scheppen was voor
haar onbelangrijk geworden, de bron borrelde op in haar hart. Ze liet haar
kruik achter en liep naar de stad om het de mensen te gaan vertellen.
"komt en ziet!" Zo riep ze anderen op om zich aan de Bron te komen laven.
Ze moest niet langer uit de bron scheppen, ze was zelf geroepen om
medemensen bij Jezus te brengen. Overtuigd door die vrouw, boden vele
Samaritanen – vreemden in hun land - Jezus gastvriendschap aan. 'Werkelijk
de redder van de wereld', klonk het in koor. De Messias, Gods gezalfde,
die zijn wil doet en zijn werk volbrengt: de wereld redden van duisternis
en dood.
Mochten ook wij op onze levensweg dit orgelpunt
plaatsen: met een gelovig hart ons bemind en aanvaard weten door Jezus,
zodat we mensen van hoop blijven en die hoop mogen delen met medemensen.
Ik wil eindigen met een fragment uit het dagboek van
Etty Hillesum in het concentratiekamp. "Binnen in me zit een heel diepe
put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en
gruis voor die put. Dan is God begraven. Als ik dan mijn hoofd in mijn
handen verberg, dan ervaar ik dat God binnen in me is. En dan zeg ik: ruim
het puin uit je leven en dan komt die God weer te voorschijn."
Die opdracht is me dunkt ook voor ons bedoeld. Laten we
er samen werk van maken.
Georges Devinck |
| |