| Preek van de week |
| 25 december - Kerstnacht |
|
|
Lezing:
U kunt
reageren
|
||||
|
Het wonder van het doodgewone
Deze preek wil langs de kunst naar de kerstboodschap
gaan. Kunst, schoonheid, verwondering en geloof liggen dicht bij elkaar.
Het thema: 'Onze wereld op de avond vóór de wonderbare nacht', uitgebeeld
in 'De volkstelling' van Pieter Bruegel. De volkstelling van Bethlehem van Pieter Bruegel de
oude wordt een van de ontroerendste geloofsbelijdenissen genoemd uit de
gehele schilderkunst der Lage Landen. Op het eerste gezicht is dat niet
duidelijk. Het schilderij lijkt meer op een zoekplaat dan op een
geloofsbelijdenis. Nochtans, Bruegel wist heel goed waar het in het
evangelie van Lucas om gaat.
Een vrouw vertelde me vier weken geleden dat ze wilde
reserveren voor kerstavond, maar twee van haar lievelingsrestaurants waren
al volzet. Voor het open venster van de herberg staat een groep
van mensen aan te schuiven. Ze zijn niet meer zo talrijk, want de dag is
reeds ver gevorderd. Het zijn de laatsten die van ver gekomen zijn. Ergens
midden in de drukte merk je de heilige Familie: Jozef, hij draagt zijn de
zaag en zijn schrijnwerkergereedschap op de schouder en aan de armen leidt
hij een magere os en het kleine ezeltje waarop een zwangere vouw zit. Er
is geen aureooltje op hun hoofd, in niets onderscheidt zich het echtpaar
van de andere mensen. Dit is de boodschap die de schilder wil meegeven, even
actueel als Lucas het zegt: God komt niet met macht, maar klein en
eenvoudig. Het is wonderbaar. Het goddelijke, het wonder gebeurt midden de
mensen. Het dringt zich niet op, het is klein en nederig. Op welk tijdstip van de dag vindt het gebeuren plaats? Mensen komen kouwelijk en moe aangestapt na de
volbrachte dagtaak op weg naar huis. Maar het dorp heeft er geen oog voor. Mensen gaan er
blind en onverschillig aan voorbij, blind voor het wonderbare gebeuren.
Het wintert dat het kraakt. Maar ook de mensen zijn koud. De vele mensen, de meeste
figuren zijn herleid tot donkere silhouetten. Talrijk zijn de figuren op
de rug gezien, geen blije lach, als dieren scharrelend voor eigenbelang,
gaan ze aan het wonder voorbij. Zo is de mens, zo zijn wij. Zo zegt het de evangelist
Johannes: Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisterniet heeft
het niet aangenomen. Er was voor hen geen plaats in de herberg. De
volwassen Jezus is niet erkend door zijn volksgenoten, niet bewonderd. Toch zou ik naast de volkstelling het schilderij van de
Emmaüsgangers van de Jacob Smits uit Mol (1898) willen plaatsen: de
schilder van het Kempense boerenleven. Jezus die eenvoudig met de
leerlingen meeliep en hoe ze hem bij het vallen van de avond herkenden bij
het breken van het brood. Zo wil God menselijk in ons midden wonen. God is
gekomen, 2000 jaar geleden als een wonder van goedheid en liefde tot het
uiterste. Hij komt nu in duizend, duizend dingen. Hij zal komen om alles
te voltooien. Dan zullen we Hem zien van aangezicht tot aangezicht en zal
ons lied weerklinken: Wat een wonder! Louis Van Hoof |
| |