| Preek van de week |
| 9 maart - vijfde vastenzondag |
|
|
Lezingen:
Ezechiël 27,12-14
U kunt
reageren |
||||||||
|
De grafsteen wegnemen
Als je naar een film op de televisie of in de bioscoop
zit te kijken, gebeurt het soms dat je in het verhaal je eigen leven
herkent. En ook dat er op een bepaald moment in het verhaal iets voorvalt
waarvan je zegt: nu kan ik niet meer mee! Te onwaarschijnlijk om waar
te kunnen zijn. Je haakt of, maar het verhaal laat je niet los. Wie heeft al eens niet aan het graf van een vriend
gestaan? Je leeft mee met het verdriet van familieleden. Je weet dat dit
leven definitief is afgebroken. En nu kan je niets meer tegen hem zeggen.
Het is onherroepelijk. Je huilt om je machteloosheid. We stonden allemaal al eens bij een graf zoals Martha
en Maria en de vriend bij het graf van Lazarus stonden. Vier dagen was hij
dood en begraven. En dan plots dat woord: 'Lazarus, kom naar buiten.' Een
dode leeft weer. Daar kan je niet meer bij. 'Neem die steen weg. Lazarus,
kom naar buiten. Maak hem los en laat hem gaan.' Stel even dat zoiets wonderbaars vandaag zou gebeuren.
De journalisten van alle wereldkranten zouden op Lazarus afstormen met
fotoapparaten en bandrecorders: wat heb je gevoeld, ben je blij dat je
weer leeft, wat is er na de dood? Maar Johannes, onze evangelische
verslaggever, vraagt niets aan Lazarus en zegt verder geen woord meer over
hem. Hij vermeldt alleen dat hij een paar dagen later op een feestje
aanwezig was. De belangstelling van Johannes gaat een andere richting
uit. Eerst en vooral naar Jezus. Zijn wonderen noemt Johannes hij altijd
tekenen. Hij wil zijn lezers laten aanvoelen hoe Jezus is. In Jezus is
zichtbaar geworden dat God leven wil, schenken, overvloedig, onverwacht,
dat God de mens niet loslaat, nu niet - en dat mogen we hopen - ook niet
in de dood. Als we het verhaal nog een keer beluisteren, worden die
vreemde woorden verstaanbaar: 'Neem die steen weg. Kom naar buiten. Maak
hem los en laat hem gaan.' We herkennen er het eigen leven in. Het is ons
al gebeurd: dat we als het ware opgesloten zaten in een graf, zonder
uitweg, zonder ruimte. We dreigden te stikken. En dan: een woord dat werd
gesproken uit liefde en nabijheid, wekte ons tot leven. Kom, Lazarus,
blijf daar niet zitten, kom naar buiten. Onze verslaggever Johannes wil nog verder gaan met zijn
lezers. Het verhaal van Lazarus doet denken aan Jezus' verrijzenis. Nog
enkele dagen en Jezus zal liggen waar Lazarus lag. De allusies zijn
duidelijk: het graf, de zwachtels en het linnen dat opgerold wordt, de
wenende vrouwen bij het graf, de steen die weggerold wordt, het bevel de
verrezene los te laten en te laten gaan. Dit teken is een soort voorteken, een vraag. Geloof je
dit nu met Lazarus? Zal je ook geloven als het met Jezus gebeurt? We
moeten durven geloven dat het ook eens met ons zal gebeuren. Geloven dat
God, als we voorgoed 'buiten adem' bij hem toekomen, ons trouw blijft en
ons niet verloren laat gaan. Durven geloven in het visioen van Ezechiël: Ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je
graven komen. B.J. De Clercq o.p. Inspiratie is gevonden bij Dries
Morel, Gods droom
in onze handen, Tabor, Brugge, 1984, p. 118-120 |
| |