Koning Achaz zat in een benarde positie. Zijn land
dreigde door een vreemde macht onder de voet gelopen te worden en hij wist
zich geen raad over welke bondgenoot hij moest kiezen. Toch wilde hij aan
de Heer geen teken vragen omdat hij vreesde dat het hem zou verplichten
tot iets wat hij liever niet deed. Maar hij kreeg ongevraagd een teken.
Een jonge vrouw zou een kind ter wereld brengen dat de naam 'Immanuël' zou
krijgen, 'God-met-ons'. Niet wapengeweld en politieke berekening zijn een
teken van Gods redding, maar een zwangere vrouw en het kind in haar
schoot.
De naam 'Immanuël' keert terug in het evangelie. Ook
Jozef zat in een benarde situatie. Zijn vrouw bleek een kind te verwachten
nog vóór ze gingen samenwonen. Hij wilde haar niet in opspraak brengen en
daarom in het geheim van haar te scheiden. Maar in een droom zag hij wat
van hem werd gevraagd. Hij moest met Maria een echtelijk gezin vormen en
het vaderschap van haar kind op zich nemen door het een naam te geven.
Volgens de joodse wet was de naamgever de vader van een kind. De naam van
zijn kind werd hem vóórgegeven: 'Jesjoea' in het Hebreeuws: 'God
redt'.
Dat is in het verhaal van Matteüs de rolverdeling: 'zij zal baren,
jij zult noemen, hij zal redden.'* Hij onderstreept dat Jezus' naam een
roeping was. Hij zou zijn naam moeten waarmaken door het volk Gods redding
te brengen. Niet door eigen machtsmiddelen uit de macht van de vreemde
bezetter, maar door het bewerken van bekering uit de macht van kwaad en
zonde. En dan noemt Matteüs een tweede naam van Jezus, een bijnaam zo men
wil: 'Immanuël'. Aan het begin van zijn evangelie deelt hij mee dat Jezus
naam heeft gemaakt als 'God-met-ons'. Zo beëindigt hij ook zijn evangelie.
Toen Jezus' leerlingen hem na zijn dood voor hen zagen verschijnen,
hoorden ze hem zeggen: "Ik ben alle dagen met jullie, tot aan het einde
van de wereld" (Matteüs 28,20).
De kaartjes met kerstwensen die we dezer dagen
versturen, zouden we kunnen opvatten als geboortekaartjes. Eigenlijk zijn
ze dat ook. Volgens Lucas (2,11) hebben de herders in Bethlehem een
geboortekaartje van Jezus ontvangen vanuit de hemel. "Vandaag is voor
jullie een redder geboren." Een geboortekaartje is geen wenskaart, maar
zoals de engelen kunnen we er een wens aan toevoegen. 'Ik wens je dat je
zijn naam waar mag maken.'
We moeten bedachtzaam omgaan met Jezus' naam en
bijnaam. De geschiedenis toont sterke voorbeelden van hun misbruik. Denk
aan de oorlogsleuze van de nazi's, 'Gott mit uns': hij staat aan de
kant van het Herrenvolk. Maar bedenkelijker is de geschiedenis van
het christelijk triomfalisme. 'Wij zijn het die gered worden. God is door
Jezus Christus bij ons gebracht.' Het spreekt vanzelf dat Kerstmis
onmogelijk kan gevierd worden als een christelijk feest met een
triomfalistische bijklank. Vrede werd door de engelen gewenst aan alle
mensen in wie God welbehagen vindt. Gods naam, Jezus' bijnaam, is geen
exclusief bezit van christenen.**
We mogen wel zeggen dat christenen in het bijzonder
geroepen zijn om die naam waar te maken. Dat doen ze door hun geloof waar
te maken dat Jezus de redding van God uit alle kwaad in de wereld aanwezig
heeft gesteld. Door hun handel en wandel moeten ze aan mensen kunnen tonen
dat het de wens van de voorganger in de liturgie en hun antwoord erop geen
ijdele woorden zijn: 'De Heer zal bij u zijn, de Heer zal u bewaren.'
Iedereen die de naam van christen draagt, maakt hem
waar door hem voor anderen te doen klinken als een belofte: God wil door
mensen in deze wereld voor iedereen aanwezig zijn.