Preek van de week Elke week een nieuwe preek
  30 maart - Tweede paaszondag Preek in M-S Word-formaatRechtstreeks afdrukken
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

Lezingen:

Handelingen 2,42-47
Johannes 20,19–31

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Niet zien en toch geloven
 

Angst. Angst overheerst daar op die zondagavond. Ze hebben de deuren op slot gedaan want de buitenwereld dreigt. Joden op alle hoeken van de straten, wellicht gretig gereed om ook hen in te rekenen. Zij, de gekende leerlingen van Jezus. Maar ook hun innerlijke wereld dreigt: wat met hun toekomst?
Hun droom is om zeep. Die mooie beloftes, dat hoopvol perspectief: allemaal gebakken lucht. Tenslotte is hun heer en meester, hun leraar, hun vriend schandelijk aan het kruis genageld, als de eerste de beste ordinaire misdadiger.
Hun vriend. Was hij wel hun vriend? Waren zij wel z’n echte vrienden geweest, want een vriend laat je toch niet zomaar in de steek op het moment dat het er echt op aankomt. Ja, enkele vrouwen waren hem tot onder het kruis gevolgd, maar de meesten …
En was hun vriendschap dan zo broos dat ze er nu al niet meer durfden voor uitkomen?

Die drie jaren dat ze hem – bijna blindelings – waren achternagelopen, drie verloren jaren? Hun gedachten tollen en tollen en blijven tollen. Ze vinden geen antwoorden, alleen maar vragen. En bovenop al die angst, die onrust, die woede misschien, die twijfel, die ontgoocheling, dat schuldgevoel, die onmacht en die wrevel, daar bovenop het zwarte gat van de wanhoop. Want Jezus, hun Jezus, is dood.
Het stilzwijgen in de kamer wordt immens zwaar van verdriet.

En dan komen, als vanzelf, de herinneringen.
Weet je ’t nog, hoe hij ons riep, daar bij het meer. We werden a.h.w. naar hem toegezogen. Niets was ons te veel. In zijn nabijheid kregen we vleugels. We konden echt alles aan. Hij was warm, sterk, blij, rechtschapen, een en al leven. We hielden zo van hem. We houden nog steeds van hem.

Het gebeurt: hun woorden rijgen zich aaneen tot beelden en die beelden krijgen langzaam vorm. Een herkenbare vorm, een en al troost, want ze beginnen Jezus opnieuw in hun midden te zien. Ze ervaren hem als hun levende heer, zoals hij was, met z’n warmte, z’n levenskracht, z’n vreugde.

Maar Jezus’ komst is niet vrijblijvend. Zijn leerlingen kunnen er direct tegenaan. ‘Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie’ en hij ademt over hen: ‘Ontvang de heilige Geest.’

Een regelrecht scheppingsverhaal: hij ademt hen tot leven. Een nieuw leven, met de Geest – de Trooster bij uitstek – als leidraad.

Dat is hun opdracht: met dezelfde goddelijke Jezuskracht naar mensen toegaan en hen troost bieden bij hun eigen falen. Uit alle kleinheid, zwakheid en onvolmaaktheid toch nog hoop puren en vertrouwen in de toekomst. Geloven dat het kan, altijd opnieuw.

Dat moet daar voor die leerlingen een enorme opsteker zijn geweest als ze ineens tot het besef komen dat het nu aan hen is maar dat ze er niet alleen voor staan. Jezus’ kracht blijft bij hen, blijft in hen, ten eeuwigen dage.

Door die ervaring heeft de angst plaatsgemaakt voor euforie. Ze voelen zich op dat moment wellicht onoverwinnelijk.

Wie zich allicht minder onoverwinnelijk heeft gevoeld, veeleer overwonnen, compleet onderuitgehaald, is Tomas.
Dwaalt hij door de straten van Jeruzalem? Alleen en in zichzelf gekeerd, gekwetst, wrokkig omdat hij zich weer eens heeft laten inpakken door het schijnbaar aanlokkelijke geleuter van de zoveelste wereldverbeteraar. Misschien maakt hij wel wrange voornemens. Nooit meer op mijn ziel laten trappen. Me harden tegen de wereld. Voortaan ieder voor zich.

Maar hoe teleurgesteld Tomas ook mag zijn geweest, blijkbaar zoekt hij toch terug aansluiting bij de groep. We lezen hoe de leerlingen hem willen laten delen in hun wonderlijk nieuwe gelukservaring. Maar hun goed bedoelde poging om er maar direct in te vliegen en Tomas als eerste over de streep te trekken, loopt faliekant af. Hij reageert erg afwijzend: dat zie je van hier, dat ik ga geloven, alleen omdat jullie het zeggen? Zoiets absurds, de Heer gezien!?
Maar de leerlingen laten blijkbaar niet af en hij gooit het op een akkoordje. Oké, ’t is goed. Ik zal geloven maar alleen als ik hem met mijn eigen ogen kan zien en met mijn eigen handen kan aanraken. En nukkig smakt hij de deur achter zich dicht: weg ermee want nu beginnen ze hier ook al spoken te zien.
Acht dagen heeft hij ervoor nodig. Acht dagen om zijn hart te laten ontdooien en opnieuw te durven geloven in de liefde. Acht dagen om langzaam weer op het spoor te komen van de goddelijke kracht die nog steeds in hem smeult, de vlaspit die niet is gedoofd.

En dan, als hij er klaar voor is, komt ook hij tot zien en ervaart dat de liefde leeft: ‘Mijn Heer! Mijn God!’

Tomas, de man die er niet bij was, de eerste die het moest hebben van horen zeggen en die er – na flink wat weerwerk – een hele week over gedaan heeft om de echte paasvreugde in zijn hart te ontdekken, die man komt elk jaar met Beloken Pasen in ons vizier.

Op het moment dat we de luiken achter het paasfeest mogen dichtklappen maar het nog zes weken duurt eer we op Pinksteren de luiken op de wereld durven opengooien, net op dat moment reikt het evangelie ons deze boodschap aan, even simpel als ontroerend: wees gerust als Tomas. Je komt er wel.

Bea Duys

 
  Prekenlijst