| Preek van de week |
|
| 19 oktober - negenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja 45,1.4-6
U kunt
reageren |
||||||||
|
God en de belastingen
In Jezus’ tijd haatte iedereen de Romeinse bezetter en
de keizer van Rome. De Romeinen zelf hadden geen enkel respect voor het
joodse volk. Maar sommige Joodse kringen probeerden commercieel profijt te
halen uit de situatie. Zo waren de Herodianen, aanhangers van koning
Herodes. Ze waren slippendragers van de keizer en de Romeinen. Uit schrik
waren ze kruiperig en gedwee en verborgen hun innerlijke haatgevoelens. Ze
wilden alleen munt slaan uit de Romeinse bezetting, macht en invloed
krijgen en hun rijkdom vermeerderen. Zoals ze probeerden in het gevlei te
komen bij de Romeinen, begonnen ze Jezus te vleien wanneer ze hem
ontmoetten om hem, samen met de Farizeeën, te kunnen strikken. Ze bewierookten Jezus en zeiden dat hij totaal oprecht
was
en niemand naar de ogen ziag. Ze stelden de netelige vraag of men
belasting moest betalen aan de keizer of niet. Jezus wist dat ze hem wilden
vangen. Als hij zei dat ze belasting moesten betalen, verloor hj
zijn gezicht bij zijn landgenoten, want die belasting was het symbool bij
uitstek van de gehate Romeinse overheersing. Als hij zei dat ze geen
belasting moesten betalen, kon men hem aanklagen bij de Romeinen, die Hem
dan konden arresteren.
Jezus doorzag hun valsheid. Hij vroeg hen een
belastingmunt te tonen. Vrome joden hadden dat nooit op zak, want de
beeltenis van de keizer stond er op. Op het randschrift kon je lezen:
’Keizer Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus.’ Dat was voor de joden
een gruwel. Het was immers godslasterlijk! Een goddelijke keizer! Zo’n
geldstuk was voor de joden letterlijk ‘slijk der aarde’. Dat de Herodianen
zo’n vuil en verachtelijk geld bij zich hadden, bracht hen al in
verlegenheid. Nog meer het antwoord van Jezus: ’Geef terug aan de keizer
wat hem toekomt en aan God wat God toekomt.’ In feite zei Jezus: als
jullie, Herodianen, commercieel profijt halen uit de bezetting en het met de
Romeinen op een akkoordje gooit en met hen handel drijft, betaal dan maar
belasting en geef de keizer zijn smerige geld terug. Maar veel
belangrijker is dat je God geeft wat hem toekomt.
Jezus wilde geen politieke figuur zijn. Voor de Joden
waren godsdienst en politiek niet gescheiden. De volgelingen van Jezus
dachten dat hij vroeg of laat koning zou worden en de Romeinen zou
verdrijven. Ze konden zich geen Messias voorstellen die niet tegelijk een
politieke rol zou spelen. Maar Jezus was geen soort ayatollah. Hij had
geen politieke maar een profetische opdracht. Hij wilde aan God geven wat
God toekomt. Als we geloven dat God liefde is en niets anders dan liefde,
dan komt God wederliefde toe. Lof, eer, dankbaarheid in gebed en liturgie.
Maar die godsliefde is gelijkoorspronkelijk met mensenliefde. De profeet
Jezus beaamde het eerste gebod van de godsliefde, maar hij voegde er het
tweede aan toe dat eraan gelijk is, dit van de mensenliefde. Wie geraakt
is door Gods liefde, wil die doorgeven. In Matteüs 25 staat het als
fundament en als uiteindelijk criterium: ’Wat je aan de minste van de
mijnen doet heb je aan mij gedaan!’ We kunnen God en mens nooit van elkaar
scheiden. Destijds bezocht ik in Kinshasa een abdij van
Norbertijnen, gesticht door de abdij van Postel. Iedereen, blanken en
Afrikanen waren volledig gelijkwaardig en leefden gemeenschappelijk op
dezelfde voet. Op gebied van gebedsleven, werk, huisvesting, studie,
ontspanning was er geen enkel onderscheid . Iedereen leefde in dezelfde
Congolese stijl. Christenen in de Derde Wereld moeten ijveren om levende,
dynamische gemeenschappen te vormen waar ze met elkaar participeren in
volledige openheid. Er zijn dan ook geen bazen en knechten meer en geen
rijken en bedelaars, maar enkel ‘broers en zussen’, kinderen van dezelfde God-Vader.
En als wij christenen van het Westen aan God geven wat
hem toekomt, nl. zijn wil tot bevrijding en gerechtigheid, dan moeten onze
christelijke gemeenschappen en verenigingen veel méér bezig zijn met wat
aan de armen toekomt. Dan komen we bij onze keizer terecht,. bij de staat
en de politiek. Zowel hier als in de wereld van de derde landen is de
staat en de politiek oorzaak van armoede, door slecht beleid, door slechte
economische en sociale structuren, en bovenop nog door ‘verkeerde mensen’.
Denk maar aan onze eigen banken met hebzuchtige bankiers en nog meer
hebzuchtige lonen en hun weigering om rechtvaardig te verdelen. Dan komen
we terecht in de heikele en complexe controversen van kerk en staat,
godsdienst en politiek, geld en christendom. Rob Moens o.p. Genk |
| |