| Preek van de week |
| 5 oktober - zevenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja 5,1-7
U kunt
reageren |
||||||||
|
Een oproep tot bekering Het beeld van de wijngaard is heel vertrouwd in de
bijbelse literatuur. Het wordt vaak geassocieerd met een intieme relatie.
Ook het gebruik van dit beeld om de relatie tussen God en het volk tot
uitdrukking te brengen, roept een bijzondere vertrouwelijkheid op. Zoals
liefhebbende partners elkaar nabij zijn in de wijngaard, zo ook God en
zijn volk. Al zijn er in Zeeland geen wijngaarden, we kunnen ons daar toch
wel iets bij voorstellen. Deze voorstelling heeft de joodse gemeenschap in een
bijzonder negatief daglicht geplaatst. Men heeft hen inderdaad beschuldigd
van godsmoord. Jezus was toch de enige zoon van God. Op grond hiervan is
de joodse gemeenschap in de loop van de geschiedenis ettelijke keren
vervolgd geweest en het voorwerp geworden van spot en haat. Het duurt tot
het pontificaat van paus Johannes XXIII eer daar voorgoed verandering in
komt.
En inderdaad, een aandachtige lezing van de context
waarin deze parabel thuishoort, laat een andere ‘pointe’ zien. We zitten
volop in de polemische sfeer die zich in de loop van Jezus’ optreden heeft
ontwikkeld. Een vijandige sfeer ten aanzien van de hogepriesters en de
oudsten van het volk. Zij interpelleren Jezus over zijn bevoegdheid.
Omtrent hetgeen hij doet en zegt. Jezus geeft echter geen antwoord
rechttoe rechtaan. In plaats daarvan vertelt hij een parabel. Een verhaal
met een dubbele bodem, met de bedoeling zijn tegenstanders te confronteren
met hun eigen houding.
Het incident situeert zich namelijk op een ogenblik dat
het einde van het Matteüsevangelie in zicht komt. We naderen de
ontknoping. Het is al een hele tijd dat de leiders zich ergeren aan zijn
optreden, omdat ze voelen dat hij hun gezag ondermijnt. Daarom ook komen
ze luisteren naar wat hij te vertellen heeft. En telkens weer komt hun
ergernis tot het kookpunt: ze kunnen zijn bloed wel drinken. Steeds vaker
proberen ze hem daarom te schofferen en in verlegenheid te brengen.
Jezus is hen echter te slim af. Hij gaat niet in op het
debat. In plaats daarvan vertelt hij een verhaal dat iedereen begrijpt.
Maar met een dubbele bodem. Over een prachtige wijngaard die een grote
oogst opbrengt en over pachters die helemaal geen zin hebben om de oogst
af te staan aan de rechtmatige eigenaar.
Iedereen begrijpt het verhaal: de pachters zijn de
machthebbers. Zij hebben de zaak onder controle. En het verhaal maakt
duidelijk hoe Jezus over hen denkt: hun dagelijkse bezigheden hangen aan
elkaar van list en bedrog. Wat dat oplevert is dood en ellende. De mensen
die recht hebben op de vruchten van de grond, trekken aan het kortste
eind. De omstanders snappen meteen wat Jezus bedoelt. De gewone mensen
komen te kort door de listen en het bedrog van de machthebbers. Ze komen
zelfs zoveel te kort dat ze er onder door gaan. Geen sprake van
gerechtigheid, van eerlijkheid, van ‘allen zijn geroepen’. En Jezus laat
zijn toehoorders zelf het oordeel uitspreken over de pachters. "Wat dunkt
u", vraagt hij hen. "Hij zal hen een ellendige dood doen sterven en de
wijngaard aan anderen geven die wel de vruchten afdragen."
Die eerste woorden die de omstanders uitspreken klinken
hard. We begrijpen echter de verontwaardiging die er in doorklinkt en we
zouden allicht ook zo reageren. Het valt echter op dat Jezus zich die
woorden niet eigen maakt. Zijn oordeel is veeleer een oproep. Hij zegt:
"het rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de
vruchten opbrengt". Hij spreekt geen veroordeling uit. Hij vertelt de
parabel eigenlijk als een ultieme poging om mensen tot inkeer te brengen.
Om hen tot het besef te brengen dat list en bedrog niet thuis horen in het
rijk van God.
En inderdaad, na de moord op zijn zoon, is de heer van
de wijngaard niet terug gekomen om de pachters uit te roeien. Er is geen
sprake van vergelding. God neemt geen wraak. De verrezen Christus is
evenmin teruggekeerd om de joden te veroordelen. Hij neemt geen wraak. De
parabel is bedoeld als een laatste poging om mensen tot inkeer te brengen.
Wanneer de verrezen Christus terugkeert, dan is het om zijn geest te
schenken aan wie zich daarvoor openstelt. Zo doorbreekt hij de spiraal van
geweld en agressie, van list en bedrog. Zo maakt hij echt een nieuw begin.
Zoals Jezus geleefd en gesproken heeft, zo begint het nieuwe leven. Het
vraagt van allen een houding van openheid en ontvankelijkheid. De
terugkeer van Christus betekent geen afrekening, maar de gave van zijn
geest aan allen die zich daarvoor open stellen.
Ignace D’hert o.p. |
| |