| Preek van de week |
| 5 oktober - zevenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jesaja 5,1-7
U kunt
reageren |
||||||||
|
Gods rentmeesters Een joodse vriend van mij verweet me onlangs dat ik me
laat besmetten door antisemitisme. Ik voelde me beledigd. Ik vroeg hem of
hij me ooit had betrapt op een antisemitische uitspraak, behalve misschien
een jodenmop die hij zelf had verteld. Niet direct, zei hij, maar je
vergeet te licht dat al wie, zoals jij, kritiek spuit op de staat Israël
zich schuldig maakt aan antisemitisme. Dat wilde ik hem niet toegeven. Ik
heb hem toen uitgedaagd. Spreek je nu als Antwerpse Jood, vroeg ik hem, of
wil je een joodse Antwerpenaar genoemd worden? Geloof en politiek zijn
twee verschillende dingen. Als Antwerpenaar kun je toch best een vrome
joodse gelovige zijn zonder je met de bedenkelijke politiek van Israël te
moeten vereenzelvigen.* Maar hij gaf me lik op stuk. Jij bent een
christelijke Antwerpenaar, was zijn repliek. De christenen hebben nog
altijd boter op het hoofd. Zij zijn het die het antisemitisme hebben
uitgevonden. Lees maar eens in je christelijk evangelie, het staat er in
krasse taal. De leiders van het joodse volk waren Godsmoordenaars en het
volk heeft er mee voor moeten boeten. Mijn joodse vriend merkte onmiddellijk op dat het lied
over God die voor zijn volk zorgt zoals een wijngaardenier voor zijn
wijngaard (eerste lezing) niet klopt met het evangelie. We mogen ons niet
op het verkeerde been laten zetten. In het evangelie is het niet de
wijngaard, Gods volk dus, die het laat afweten, het zijn de rentmeesters
die door God met de zorg voor zijn wijngaard werden belast. De parabel
onderstreept dat de heer van de wijngaard al het nodige deed om hem te
beschermen en goede vruchten te laten voortbrengen. Maar dan ging hij weg
en liet hem verzorgen door pachters.
Duidelijke sporen van een scheppingstheologie, aldus
mijn vriend. Hij citeerde uit psalm 8. "Heer onze Heer, wat is dan de
sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet? U
hebt hem bijna een god gemaakt..., hem toevertrouwd het werk van uw handen
en alles aan zijn voeten gelegd." God brengt de wereld tot stand door zich
eruit terug te trekken en hem de mensen in handen te geven. Zoals de
druivenkwekers de wijngaard bewerkten, moeten ze de wereld uitbouwen tot
een plaats waar het voor iedereen goed om leven is en waar vrede en
eendracht heersen. God maakt zich afhankelijk van de kundigheid en
toewijding van mensen.
Er staat niet in de parabel dat de druivenkwekers hun
werk niet goed deden. Waarschijnlijk deden ze het met des te meer zorg
omdat ze compleet voor eigen rekening wilden werken. Hun heer was nergens
te bespeuren en ze dachten dat ze zich niet meer als zijn pachters moesten
beschouwen: niet langer pachters, maar eigenaars van de wijngaard en zijn
opbrengst. En toen de heer mensen van zijn personeel stuurde, tot twee
keren toe, om de druivenoogst op te halen, maakten ze met hen korte
metten. Ze meenden hun slag helemaal thuis te kunnen halen toen de heer
ten slotte zijn enige zoon stuurde. Als ze die enige erfgenaam uit de weg
ruimden, werden zij de ongestoorde eigenaars.
Tot zo ver het verhaal. Maar zoals na veel parabels
volgt er nu een zedenles. Daar heb je het, zei mijn vriend. Weg met de
Joden, leve de christenen! Maar ik sprak hem tegen. Jezus zei niet dat de
leiders van het volk gelijk hadden toen ze besloten dat de landheer wraak
zou nemen op de moordenaars van hun zoon en hiermee hun eigen veroordeling
uitspraken. De evangelist laat hem overschakelen naar een andere
beeldspraak, met een citaat uit psalm 118 dat in de vroege christelijke
gemeenschap werd gebruikt om Jezus' opstanding uit de dood te verkondigen
(zie o.m. Handelingen 4,11). Jezus is de steen die door de bouwlieden is
weggeworpen. Maar zijn Vader heeft zich niet gewroken. Hij heeft van hem
de hoeksteen van een nieuw bouwwerk gemaakt: zijn koninkrijk dat
overgedragen wordt aan hen die bereid zijn het vruchten te laten
voortbrengen.
Misschien moeten we er alle mogelijk begrip voor
opbrengen dat overtuigde Joden zoals mijn vriend zich door deze
christelijke pretentie gekwetst voelen. Maar van hen mogen we verwachten
dat ze respect opbrengen voor onze christelijke identiteit. Dat ze
verschilt van de hunne hoeft een vruchtbare dialoog over onze
gemeenschappelijke roots niet in de weg te staan. Maar dat is hier niet
het onderwerp. Het onderwerp is de christelijke 'zedenles' van de parabel.
We zijn geen eigenaars van de wereld die Gods wijngaard
is, maar alleen de beheerders. Niet iedereen handelt navenant. We zien
mensen bezig die zich gedragen als waren ze eigenmachtige bezitters van
alles en iedereen. Ze loochenen God niet, maar leven in feite a-theïstisch,
alsof Gods wijngaard de hunne was waarover ze naar eigen goeddunken kunnen
beschikken. Ze spelen zelf voor God.
Willen we God als eigenaar erkennen, dan moeten we zijn
wijngaard de vruchten doen opbrengen die hij verwacht. In de
Filippenzenbrief waaruit we vandaag lezen wordt of die vruchten gezegd dat
ze gestalte moeten geven aan al wat waar is en edel, rechtvaardig,
beminnelijk en aantrekkelijk. Als we zelfzuchtig leven, niet liefdevol,
rechtvaardig en trouw, komt er van Gods rijk onder ons niets meer terecht.
We zijn ook niet de eigenaars van het christelijk
erfgoed dat ons is toevertrouwd, maar zijn beheerders. We kunnen er niet
volgens eigen goeddunken over beschikken. Er zijn christenen, aan de top
en aan de basis van de kerk, die het angstvallig tegen elke invloed van
buiten afschermen, zoals de rentmeester die het hem toevertrouwde geld in
de grond stopte (Matteüs 25,24-25). Volgens de parabel verdienen ze
gestraft te worden. Natuurlijk mag dit erfgoed niet verloederen. Goed
beheer houdt in dat we het volgens Gods bedoeling doen renderen, zodanig
dat zijn Woord in hedendaagse taal kan gehoord en begrepen worden door
iedereen die er vandaag wil naar luisteren.
* Zie de recente polemiek hierover op de
opiniebladzijde van De Standaard, 2 september 2008.
J. Andersen |
| |