| Preek van de week |
| 28 september - zesentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Ezechiël
18,25-28
U kunt
reageren |
||||||||
|
Twee keren bekering 'Wie gelooft die mensen nog!' In politiek Vlaanderen
een bekende slogan. Maar hij is niet alleen van toepassing op de politici
die allerlei dingen beloven waarvan ze niets terechtbrengen. Er zijn ook
andere mensen van wie blijkt dat je ze beter niet gelooft. Een vriend
vertelde me dat hij zwaar ontgoocheld was door een goede vriend van ons
beiden. Ik mocht op hem rekenen, had onze vriend me beloofd. Hij zou
volmondig mijn kandidaatstelling verdedigen voor de promotie waarvoor ik
in aanmerking kwam. Maar nu blijkt dat hij in de vergadering van de raad
die in mijn nadeel heeft beslist zelfs zijn mond niet heeft opengedaan.
Hij heeft me bedrogen. Jezus verweet de hogepriesters en oudsten dat ze zich
niet wilden bekeren. Ze hielden zich nauwgezet aan de overgeleverde wetten
en voorschriften en zagen erop toe dat het volk eraan gehoorzaamde, maar
ze hielden zich doof voor Johannes de Doper, ze wilden niet weten van het
evangelie van het komende koninkrijk van de hemel. Eerder dan voor hen
waren de weldaden van dit koninkrijk weggelegd voor hoeren en tollenaars,
zeg maar geldafpersers. Zij waren boosdoeners, neen-zeggers tegen wetten
en voorschriften, maar toen het er echt op aankwam hebben ze ja gezegd en
zich bekeerd.
Het is te gemakkelijk met de vinger te wijzen naar
kerkleiders die mordicus vasthouden aan de bestaande kerkelijke wetten,
aan de letter van de traditionele leer, en elke verandering die
beantwoordt aan de tekenen van de tijd blijven afgrendelen. Terecht vinden
we dit erg jammer, en we zeggen het ook. Maar we moeten eerst en vooral de
hand in eigen boezem steken.
Wie gelooft die mensen nog? Misschien zegt men het ook
niet zonder reden van ons. Als we naar de kerk gaan, zeggen we zonder
problemen te maken ja en amen op de belijdenis van ons geloof en de
gebeden die worden uitgesproken. De vraag is echter op welke punten dit
niet meer is dan lippendienst. Met een parafrase op een bekende uitspraak
van Karl Marx zou ik zeggen: laten we elkaar de melodie van ons geloof
voorspelen terwijl we in de spiegel kijken, en we zullen zien hoe kreupel
we erop dansen. Er gaan weinig dagen voorbij zonder dat we bekering nodig
hebben. Eigenlijk mogen we al blij zijn dat het ons minstens af en toe
lukt ons geloof consequent waar te maken. Dat moet ons ook mild stemmen
tegenover hen die er slecht in slagen.*
Ook in het buitenkerkelijke leven van elke dag hebben
we te maken met mensen voor wie de twee zonen van de parabel model staan.
Welke vader van opgroeiende kinderen bijvoorbeeld zal zich niet herkennen
in de vader van de parabel? Misschien zegt iemand: ik heb geluk, mijn zoon
zegt ja en ik kan op hem rekenen. Maar iemand anders: ik heb tegenslag,
mijn zoon zegt neen en komt er niet op terug. Het kan een troost zijn:
weerbarstige jongeren zijn van alle tijden. Constante neen-zeggers tegen
hun ouders. Ze willen meer zelfstandigheid. Het zal wel niet zelden
gebeuren dat ze een van hun kinderen al doende wijzer zien worden en zich van
'neen' naar 'ja' bekeren. Een bekering tot de wijsheid en de waarden van
zijn ouders.
Het zou een klein kunstje zijn dit voorbeeld met andere
aan te vullen. Laten we naar onszelf kijken. Wie kan zich niet herkennen in
elk van de twee zonen van de parabel? Je bent bang om ergens ja op te
zeggen, want dan zal je ook b moeten zeggen en dat zou te veel gevraagd
zijn. Maar als je de vraag terecht vindt, waarom je niet laten helpen om
de consequenties van een 'ja' op je te nemen?
Ik kan met voorstellen dat velen van u zich verwant
voelen met de weerbarstige gelovigen, weerbarstig omdat ze gesteld zijn op
hun zelfstandigheid. Ze beginnen met neen te zeggen tegen wat de kerk
voorhoudt te geloven en vraagt te doen. Ze willen zelf beslissen wat ze
wel en niet geloven en als christen moeten doen. Ze willen als christen
hun eigen, misschien af en toe eigenzinnige weg gaan. Wie kan daar niet
inkomen?
Op je eigen christelijke weg door het leven zal je wel,
zoals de zoon in de parabel die begon met neen tegen zijn vader te zeggen,
je eigenzinnigheid moeten afleren. Je moet leren, misschien door schade en
schande, dat je niet uit het evangelie en het christelijk erfgoed kunt
kiezen wat je bevalt en overslaan waar je geen zin in hebt. Als je in dit
leerproces eerlijk bent met jezelf, zal je neen op veel punten een ja
worden. Je staat steviger in je christelijke schoenen door een ja dat door
een neen heen is gegaan.**
We zijn als de zonen in de parabel. We hebben een
dubbele bekering nodig. Een bekering tot trouw aan het ja dat we gezegd
hebben, een terugkeer uit de koppigheid van het neen.
* De volgende twee alinea's zijn voor een deel
geïnspireerd door Dries Morel, Gods droom in onze handen, Brugge,
1984, p. 256 v. B.J. De Clercq o.p. |
| |