Preek van de week Elke week een nieuwe preek
  17 augustus - Twintigste zondag Preek in M-S Word-formaatRechtstreeks afdrukken
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

Lezingen:

Jesaja 56,1-7
Matteüs 15,21-28

Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Jezus schaakmat gezet
 

De Kananese vrouw, een niet-joodse dus, die in het evangelie dat we vandaag lezen een centrale rol speelt, wordt vier keren afgescheept.
Eerst wordt ze door Jezus genegeerd.
Dan door de leerlingen: "Stuur dat vrouwmens toch weg… met haar geschreeuw!"
Als Jezus dan toch zijn mond opendoet, is dat om haar principieel af te wijzen: "Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël."
De vrouw blijft aandringen… en Jezus wijst haar waar haar plaats is: bij de honden.
Shockerend. Hoe is dergelijk praat te rijmen met zijn imago van Jezus de mensenvriend?

Toch een kanttekening in de marge: je mag Jezus’ reactie niet loshaken uit de tijd en de context van toen.
Jezus is over de grens van Israël de streek van Tyrus en Sidon binnengetrokken, een niet-joods gebied met daarin verspreid een aantal joodse nederzettingen (ook toen al). Vermoedelijk om aan de joden aldaar zijn boodschap te gaan verkondigen. De vrouw die hem aanspreekt, is van ter plekke, een afstammeling van de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, het land van de heidenen met zijn vele goden en zijn vruchtbaarheidscultus. De joden, en zeker die uit de nederzettingen, meden alle contact met de plaatselijke bevolking. Ze wilden immers hun geloof zuiver houden, vrij van mogelijke heidense beďnvloeding.
Tegen die achtergrond wordt de houding van Jezus iets begrijpelijker: hij gedraagt zich zoals Joden zich daar en toen gedroegen.

‘Enig begrip’ opbrengen voor zijn manier van doen is niet hetzelfde als ‘goedkeuren’. Hoeft ook niet. Want tegen het einde van het verhaal heeft Jezus zijn houding grondig gecorrigeerd: "Vrouw, u hebt een groot vertrouwen. Wat u verlangt, zal ook gebeuren."

Wat mij intrigeert, is: wat heeft die heidense vrouw precies gezegd of gedaan waardoor Jezus een ommezwaai van 180 graden maakte?

Wat het eerst in het oog springt – ook al raakt dat niet de kern van de zaak - is dat die vrouw niet op haar mondje gevallen is. Op de cynisch afwijzing: "Het is niet goed om het brood van de kinderen aan de hondjes te geven." repliceert ze gevat: "Juist, Heer, maar de honden eten toch de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.". Daar is geen speld tussen te krijgen. Jezus staat schaakmat. Zoiets lezen we niet vaak in de evangelies. Gewoonlijk is het omgekeerde het geval: Jezus die zijn tegenstanders schaakmat zet.

Wat de doorslag gaf tot zijn bekering, blijkt uit Jezus’ slotwoord: "Vrouw, groot is uw vertrouwen". Andere Nederlandse vertalingen hebben het over haar ‘groot geloof’. Bedenk dan wel dat die vrouw geen volgeling van Jezus was, maar, in joodse ogen, een afgodendienares. Wat was er zo bijzonder aan haar geloof, aan haar vertrouwen? Kunnen wij daar iets van opsteken?

Allereerst haar vasthoudendheid. Ze bijt door, ook al kreeg ze viermaal de deur voor haar neus dichtgeklapt. Ze blijft hopen tegen alle schijn in.

Zijn wij niet te ‘kleingelovig’? Blijven we gelovig overeind als leed en lijden ons deel zijn? Als we het gevoel hebben dat God ons bidden en smeken negeert? Houden we het ‘desondanks’ vol met God?

Maar er is meer. Ze roept Jezus toe: "Heer, heb medelijden met mij (…) Mijn dochter is vreselijk bezeten." De vrouw identificeert zich met het lijden van haar dochter. ‘Zij’ en ‘haar dochter’ zijn op dit punt één. Het lijden van de ene is het lijden van de ander, en daaruit put de ene de motivatie om de ander tot hulp te zijn of voor die ander hulp te zoeken. Je kan dat relativeren wel met: ‘dat komt wel vaker voor in een moeder-kindrelatie’. Maar daarmee zou je het appčl dat daarin besloten ligt, wel eens kunnen wegwuiven. Zich zodanig identificeren met andermans lijden dat het je motiveert om er wat aan te doen, is de diepmenselijke en medemenselijke definitie van het woord ‘medelijden’.

Mochten wij wat meer medelijden betonen, ons wat meer solidariseren met andermans ellende, er zou heel wat minder geleden worden in de persoonlijke sfeer, binnen families, en zelfs op wereldvlak.

Die Kananese vrouw staat model voor waarachtig medelijden. Ze is zo betrokken bij het lijden van haar dochter dat ze niet bang is om haar gezicht te verliezen; ze doorbreekt het taboe dat Joden en niet-joden in gescheiden werelden leven. Ze spreekt Jezus aan; meer nog: in bedekte termen wijst ze hem terecht: "U kunt wel mooi praten over mensenliefde en over een God die zijn mensen niet in steek laat; maar maak die liefde eens concreet, laat eens wat kruimels van de tafel vallen."

Hoe gedreven ze ook is, toch kent ze haar plaats. Ze weet dat ze niet de juiste geloofsbrieven kan voorleggen. Ze weet dat aan de tafel die Jezus voor de kinderen van Israël dekt, voor haar geen plaats is. Realistisch als ze is, stapt ze over die discriminatie heen, neemt zelfs de vernederende beeldspraak over en is bereid om onder de tafel met de hondjes kruimels te eten. Wat vandaag niet kan, kan morgen misschien wel, moet ze gedacht hebben.

Misschien mogen we hier het woord ‘liefde’ laten vallen, "liefde die geduldig is" (1 Korintiërs 13,4), zo geduldig … dat Jezus zich daardoor laat gezeggen, dat die hem de ogen geopend heeft.

Jezus’ bekering zegt ook iets over wie hij was. Ze bevestigt zijn ten volle mens-zijn. On-aardse volmaaktheid was hem vreemd. Hij moest groeien in zijn rol als Messias, en dus soms zijn eigen vooroordelen opgeven.

Opgegroeid als Jood in hart en nieren hield ook hij zich aanvankelijk ver van het heidendom. Maar die onverwachte confrontatie met een vreemde vrouw die, uit liefde voor haar ziek kind, taboes doorbreekt, zich niet laat afschepen en tegelijk toch respectvol afstand houdt, moet Jezus in verlegenheid hebben gebracht. Niet goed wetend wat en hoe, moet hij zich afgevraagd hebben wat God van hem in de gegeven situatie verlangde. Ook Jezus moest leren van het leven (Hebreeën 5,8). Ook hij moest groeien in wijsheid en inzicht (Lucas 2,52). De ivoren-torenmentaliteit van het jodendom loslaten en het heidendom tegemoet treden, was voor hem een grote stap, en beslist geen gemakkelijke.

Durven wij ons eigen geloven bevragen, zoals Jezus zich liet bevragen door dat grote geloof van die heidense vrouw? Durven we erkennen dat een andersdenkende het wel eens bij het rechte eind kan hebben, en wij dus fout zitten? Door wie laten wij ons aanspreken? Kan het engagement van een neutrale organisatie als Artsen zonder grenzen bv. ons, christenen, inspireren tot grotere inzet voor de Derde Wereld? Kan het grote geloof van een Getuige van Jehova ons ertoe aanzetten om ook wat meer tijd te investeren in bijbelstudie?

Het is geen schande als we onze eigen geloofsvisie eens kritisch bekijken, wat bijstellen en actualiseren. Integendeel, het evangelie roept ons daartoe op.

Marc Christiaens o.p.- Schilde

 
  Prekenlijst