"Doe het nu maar, het is goed dat we Gods gerechtigheid
vervullen", zei Jezus toen Johannes weigerde hem te dopen. Het is zijn
levenswerk geworden: de gerechtigheid vervullen. Toen hij in het publiek
begon op te treden heeft hij het uitdrukkelijk verklaard. "Ik ben gekomen
om de Wet en de Profeten tot vervulling te brengen" (Matteüs 5,17).
Vervulling van de gerechtigheid, dit wil zeggen van de 'rechte', de goede
verhouding tussen God en de mensen, van de goede verhouding tussen de
mensen onderling en van elke mens tot zichzelf.
Om die vervulling te brengen moest Jezus in de diepte
van het duistere water gedompeld worden en eruit omhoog komen. Zodra hij
uit het water opsteeg, ging de hemel open, schrijft Matteüs. We weten dat
hij uit eerbied voor Gods naam vaak een omschrijving gebruikt. Dat de
hemel opengaat, kunnen we hier verstaan als: God komt aanwezig. Voordien
was de hemel gesloten, Gods aanwezigheid was niet openbaar. Nu werd ze
openbaar. Ze liet zich ook horen. Ze openbaarde aan Jezus wie hij was.
Voortaan zou hij God zijn vader noemen en als zijn zoon tot hem bidden.
Als we het evangelie goed lezen, herkennen we in de
beschrijving van Jezus' doop zijn dood en opstanding uit de dood. Zelf
heeft hij over zijn dood, toen die nabij kwam, gesproken als een tweede
doop. "Ik moet een doop ondergaan en ik word hevig gekweld zolang die
niet volbracht is" (Lucas 12,50). En aan twee van zijn apostelen heeft hij
voorspeld dat ook zij die doop zouden ondergaan (Marcus 10,39). We zouden
dit evangelie ook op Pasen met vrucht kunnen lezen.
Waarschijnlijk is er niemand onder ons hier die zelf de
beslissing heeft genomen om zich te laten dopen. Er zijn christenen die
zich wederdopers noemen. Ze wijzen de kinderdoop af en beslissen op
volwassen leeftijd zelf zich te laten dopen of herdopen. Mogen we niet
zeggen dat zij de doop van Jezus zo dicht mogelijk benaderen?
Maar eigenlijk ondergaan kerkelijke christenen elk jaar
een herdoop in de paasnachtviering of op Pasen. Ze hernieuwen hun
doopbeloften, dat wil zeggen de beloften die anderen in hun plaats hebben
gedaan. Ze worden opnieuw gedoopt, dat wil zeggen besprenkeld met enkele
druppels wijwater.
Als we aan dat ritueel meer belang willen hechten dan
dit van een herhaling van oude formules en routinegebaren, zullen we het
op een heel andere manier in de werkelijkheid van ons leven moeten
omzetten. We zullen 'gedoopt worden', los van elke liturgische vormgeving,
weer moeten verstaan, beleven en gestalte geven zoals het oorspronkelijk
is gedaan. Het is je laten onderdompelen in de dodelijke dreiging van het
donkere water en eruit opgetrokken worden, gereinigd en herboren als een
nieuwe mens. Het is afdalen in het graf, zoals het zaad dat in de grond
wordt gestopt, en het leeg achterlaten door de kracht te vinden en te
krijgen om eruit op te staan.
Eigenlijk wordt Pasen elke zondag gevierd. Dat zou
telkens een viering moeten zijn die metterdaad uitwerkt wat ze viert, in
het doordeweekse leven: de praktijk van een verrezen leven. Dan zullen we
moeten beginnen met in het graf af te dalen. Het graf, dat is alles wat
ons in duisternis en kwaad gevangen houdt, met als uitzicht het deksel dat
we uit eigen kracht alleen niet kunnen optillen. Maar we kunnen alvast
beginnen met uit de lijkwade te kruipen en ze leeg op te plooien.
*