| Preek van de week |
| 20 juli - Zestiende zondag |
|
|
Lezingen:
Wijsheid 12,13.16-19
U kunt
reageren |
||||||||
|
Tussen twijfel en overgave "De knechten zeiden: wilt u dat wij er het onkruid
tussenuit wieden? Een onontwarbaar kluwen van onkruid en tarwe: het lijkt
een treffend beeld van het leven dat wij leiden. Wie rond zich kijkt merkt
veel mooie en zinvolle dingen. Jongeren die op kamp gaan met
gehandicapten, vrijwilligers in de palliatieve zorg die met medemensen
gaan tot aan de laatste grens, inzet van medisch personeel in door oorlog
verwoeste gebieden. Er zijn veel tekenen van hoop in onze wereld. Veel
zaken die je het gevoel geven: je moet niet wanhopen. Mensen willen er het
beste van maken. De stille inzet van kinderen voor hun ouders en
omgekeerd. De vele inspanningen van mensen om van deze wereld een plek te
maken waar het goed leven is. De aandacht en waardering voor kunst en
cultuur die onze wereld mooier en zinvoller maken. Veel zaken die we
rondom ons zien gebeuren stemmen hoopvol.
Er is ontegensprekelijk ook de keerzijde. Een jonge man
in de fleur van zijn leven wordt overvallen door een agressieve kanker.
Ontreddering en radeloosheid bij de omstanders. Aardbevingen in Japan
maken duizenden slachtoffers. Niemand kan er iets aan doen. Tegen veel
leed staan we machteloos: natuurrampen, ziekten. Er is ook veel leed dat
mensen elkaar aandoen. Een leidster van een jeugdbeweging wordt tijdens
een kamp doodgereden door een dronken autobestuurder. Het had niet hoeven
te gebeuren. Het zoveelste busongeval dat tientallen families in rouw
dompelt. Het had vermeden kunnen worden. De voorspelbare en voorspelde
hongerdood van duizenden kinderen: het roept weerzin op. De moordpartijen
onder stammen en ethnische groepen, en de internationale gemeenschap die
laat betijen. Onzin.
Zin en onzin liggen door elkaar verstrengeld als het
onkruid en de tarwe in de parabel. Nog steeds is de mens in staat tot het
mooiste en het lelijkste, tot de meest zelfvergeten liefde en tot de
gruwelijkste wreedheden. Maar de onzin lijkt het sterkst. Je krijgt
namelijk niet het gevoel dat we er op vooruitgaan. Niet echt. Wie de
geschiedenis bekijkt tot op vandaag staat verstomd bij zoveel onmenselijk
lijden en onrecht. Zij vormen de duistere vlek in onze geschiedenis.
Niemand kan daar een zinvolle plaats aan geven. We kennen de grote
symbolen die onze geschiedenis rijk is: Auschwitz, Vietnam, Irak,
Zimbabwe, Soedan, de generatiearmen in eigen land, noem maar op. De
geschiedenis staat bol van het lijden. Lijden dat geen verklaring
verdraagt. Dat we niet kunnen aanvaarden of toelaten. Lijden en onrecht
zijn heel zeker geen realiteit waarachter we een goddelijke bedoeling
kunnen zoeken. Zo een sadistische god verdient geen respect. Er is gewoon
en onweerlegbaar een barbaars teveel aan lijden, een exces aan onrecht dat
elke verklaring tart.
Slechts één houding mag menswaardig heten: het verzet.
De overgave aan het goede. De keuze voor recht en gerechtigheid. Voor
liefde en mededogen. Natuurlijk: we weten dat ook dit verzet binnen de
geschiedenis staat. Een geschiedenis die straks – wie weet – opnieuw wordt
ingehaald door nieuw onrecht, nog maar eens een catastrofe, alweer een
genocide. Is het dan niet merkwaardig dat dit besef mensen niet lam slaat.
Dat mensen dan toch weer in verzet komen, ondanks hun onvermogen om deze
geschiedenis een definitieve wending te geven. Spreekt hieruit niet de
diepe intuïtie dat onrecht en lijden niet de zin van ons mens zijn kunnen
uitmaken. Dat mensen geroepen zijn om te leven in heelheid, in geluk.
Dat blijkt ook uit het feit: wàt we nu reeds kunnen,
dat doen we ook. Wij blijven zorgzaam aanwezig bij stervende medemensen.
Er is de vasthoudende inzet van zovelen voor een meer rechtvaardige
economische wereldorde. Er zijn de initiatieven om straatkinderen in
zoveel Derde-Wereldlanden een iet of wat menswaardig bestaan te geven. De
drang om hieraan mee te doen is sterker dan de vraag of het wel nut heeft.
Of het wel duurzame effecten zal blijken te hebben.
Klaarblijkelijk leeft er in de mens die drang naar
geluk die hem hier en nu in beweging doet komen tegen onrecht en lijden.
Die drang, die intuïtie brengt namelijk iets nieuws ter sprake. Zij
spreekt van hoop. Welnu, deze hoop doet iets. Hoop opent toekomst. Zij
brengt die toekomst metterdaad dichterbij. Zij maakt haar voelbaar. Zij
het broos en kwetsbaar. Niettemin tastbaar. Met hoop begint inderdaad iets
nieuw: hier en nu. Natuurlijk is zij onderhevig aan de dubbelzinnigheid
die als een rode draad door de hele geschiedenis loopt. Toch is de hoop
onuitroeibaar. Omdat ze voortkomt uit een intuïtie: ‘Hier moet iets aan
gebeuren.’. Ook al haalt het misschien niets of niet veel of niets
blijvends uit, toch kunnen mensen het niet laten zich hieraan over te
geven.
De parabel van het onkruid en de tarwe heeft het over
de groeitijd van het graan. De zaaitijd is voorbij: die ligt in het
verleden. De maaitijd is er nog niet: die hoort aan de toekomst. De
groeitijd gaat over het hier en nu. Hier en nu leven we tussen twijfel en
overgave. Dat we hier samenkomen toont aan dat we met al onze twijfel en
aarzeling, willen volharden in de overgave. De parabel daagt ons uit het
geduld van het volhouden en het vertrouwen op te brengen. Daartoe willen
we onszelf en elkaar bemoedigen in het samenzijn rond de verteller van
deze parabel. Wij delen het brood dat hij ons aanreikt als teken van de
nieuwe wereld waarin wij blijven geloven. Ondanks alles. Onze overgave. Ignace D’hert o.p. |
| |