| Preek van de week |
| 15 juni - elfde zondag |
|
|
Lezingen:
Exodus 19,2-6
U kunt
reageren
op deze preek: |
||||||||
|
Gezonden om te geven ‘Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moeten
jullie geven.’ De laatste zin
van een stuk evangelietekst is dikwijls de titel. Dat waar het eigenlijk
om gaat. Wie zich als volgeling van Jezus Christus gezonden weet, staat op
een andere manier in het leven: met een open hart en gevende handen, omdat
we zelf alles van God ontvangen hebben ‘voor niets’. God is pure genade.
Aan hem danken we ons bestaan. Ook al zijn we broze, kwetsbare, zwakke en
sterfelijke mensen, God vindt ons ‘goed’. In liefde blijft hij bij ons.
Zijn naam is ‘Ik zal er zijn voor jou'. Ik zal er zijn ‘om niets’. We
moeten Gods liefde niet verdienen door allerlei prestaties, door
penitentie, bedevaarten, veel gebeden of ‘goede werken’. God zit niet te
wachten tot we hem iets aanbieden. God moet niet vermurwd worden.
Jezus, die Gods liefde vermenselijkte, heeft het getoond. Hij koos zijn
leerlingen niet onder diegenen die veel te bieden hadden, die geleerd, begaafd
of rijk waren. De meesten waren ongeletterde vissers. Er is ook een
tollenaar bij: Matteüs. Die had geen onbesproken verleden. Tollenaars
waren woekeraars en afpersers. Er is ook een Simon, de ijveraar, wellicht
een guerilla-strijder, met een grote mond en een zwaard in zijn gordel. We
lezen ook de naam van Judas Iskariot. Die zal wel een bedenkelijk karakter
gehad hebben. Jakobus en Johannes werden ‘donderzonen’ genoemd. En wat
heeft ‘het-haantje-vooruit’ Simon Petrus gedaan tot driemaal toe? Is
bewust verloochenen niet zeker zo erg als verraden?
Meer dan ooit toonde Jezus die liefde ‘om niets ‘, door zijn belangeloze
barmhartigheid. Als Hij stond tegenover zgn. zondaars vroeg hij niet
eerst berouw, bekering, boete, schuldbelijdenis of wat dan ook. Jezus bood
altijd eerst zijn vriendschap aan. Ook van zondaars hield hij
onvoorwaardelijk, zonder voorwaarden, ‘om niets’. Denk aan de
overspelige vrouw, aan Zacheüs, aan de parabel van de verloren zoon. Er
wordt wel verwacht dat wat wij ‘voor niets’ ontvangen ook ‘voor niets’ aan
onze medemensen geven.
In een gezin met vier kinderen is een van de zonen verslaafd geraakt aan
drugs. Op de middelbare school kwam hij in contact met een vriend uit de
buurt, die hem aan drugs hielp. De ouders moesten het aanzien dat hun zoon
zijn toekomst vernielde. Ze waren uiterst teleurgesteld en wilden niets
meer van hem weten. Een van de dochters is wel met haar broer verbonden
gebleven. Ze probeert de ouders duidelijk te maken dat het nog veel erger
wordt als ze hun zoon in de steek laten. Ze blijft aandringen. Enkele
maanden later gaan de ouders de zoon opzoeken. Heel zijn situatie, zijn
verhaal, zijn tranen en zijn diepe eenzaamheid raken de ouders zo intens,
dat er een echte verbondenheid tot stand komt. Geleidelijk ontstaat er
hoop op verlossing uit de verslaving.
De woorden ‘voor niets’, gratis, belangeloos, onvoorwaardelijk,
onbaatzuchtig zijn typische woorden die christenen in de mond nemen. Ze in
daden omzetten is wel zeer moeilijk. Dikwijls maken we mee dat mensen die
veel goed doen, op een bepaald moment zeggen: ’Ik kreeg nog niet eens een
vriendelijk woord, zelfs geen dank u.’ In dat geven ‘om niets’ zit dan toch
nog dikwijls een verborgen verlangen naar ‘iets’, hoe weinig ook. Dat is
heel menselijk.
Vraagt het evangelie soms niet méér dan een mens kan doen?! Eens hoorde ik
op de televisie een ongelovige humanist zeggen dat de zuiverste vorm van
naastenliefde de palliatieve zorg is. Omdat stervende mensen, zeker als ze
in coma zijn, niets meer kunnen terugdoen.
In dit evangelie horen we hoe Jezus zijn apostelen, en ons dus ook, zendt
om zieken te genezen. We zijn natuurlijk geen dokters. Zij bestrijden de
ziekte van buitenaf met medicatie en therapieën. Wij kunnen zieken helpen
om zich van binnenuit weer op te richten, om midden in het lijden een weg
te vinden waardoor ze levenskracht krijgen om het leven nog te omhelzen.
Zieken kunnen zich anders en beter voelen als ze verlost worden van angst,
wanhoop of eenzaamheid. Liefdevolle zorg, steun en bemoediging kunnen daar
veel aan doen.
Er staat dat de apostelen, en wij dus ook, doden moeten opwekken. Dat
kunnen we niet. Maar we kunnen misschien de dood terugdringen. Er is op
vandaag, ook onder kinderen en jongeren, veel zelfdoding. Mensen kunnen
zozeer verdrinken in pijn of alle houvast verliezen dat ze de zin in het
leven verliezen. Meestal staan ook wij dan machteloos. We kunnen de
wanhoop niet keren, maar we kunnen met geduld aanwezig zijn, wachten, en
niet vluchten voor hun onredelijkheid. Het is een zware opdracht.
Volgelingen van Jezus worden ook gezonden om melaatsen te reinigen. In Jezus’ tijd
werden ze al geïsoleerd. Vele eeuwen later werden ze gedumpt op een
verlaten eiland, ver van de bewoonde wereld, zoals op Molokai. Vandaag
zijn mensen met Alzheimer, zwaar drugverslaafden, jeugdige deliquenten, mensen
zonder papieren, aidspatiënten… de geïsoleerden in allerlei centra. Als we
voor hen direct niets kunnen doen, dan misschien wel voor hun ouders en
familie?
Er is tenslotte sprake van kwade geesten uitdrijven. Destijds waren er paters-exorcisten die mensen gingen
'belezen'. We horen daar nog weinig over.
Maar er zijn niet minder mensen die bezeten zijn door een duivelse geest.
Iedereen
denkt aan Dutroux, Fourniret en consoorten. Maar we kunnen het soms ook
niet laten om mensen te demoniseren, op grote en kleine schaal. We maken
soms mensen uit onze omgeving zwart door roddelpraat. Zelfs van Jezus
zeiden sommigen dat hij door de duivel bezeten was! Dit moet ons
waarschuwen. Soms worden totaal onschuldigen ten onrechte beklad en
beschuldigd. We moeten altijd eerst in eigen hart kijken.
Jezus zei, bij monde van Matteüs, dat de menigte uitgeput en hulpeloos neerlag, als schapen
zonder herder. Zijn de herders op vandaag, de kerkleiders, priesters,
diakens, leden van het pastoraal team, wel genoeg op zoek in die menigte?
Er zijn toegewijde mannen en vrouwen die zich laten raken door de nood van
hun medemensen en die, innerlijk bewogen, dienstbaar willen zijn aan de
christelijke gemeenschap. Worden ze gezocht en aangesproken? Jezus deed
het. Hij had er méér dan twaalf. Maar twaalf is een symbolisch getal voor
de twaalf stammen van Israël. In Jezus’ tijd waren er nog maar twee over.
Jezus wilde Israël weer herstellen tot het uitverkoren volk van God, dat
onder zijn heerschappij leeft.
Rob Moens, dominicaan, Genk
|
| |