Preek van de week Elke week een nieuwe preek
  15 juni - elfde zondag Preek in M-S Word-formaatRechtstreeks afdrukken
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

Lezingen:

Exodus 19,2-6
Matteüs 9,36–10,8

Tekst van viering

U kunt reageren

op deze preek:

Commentaar

 

Gezonden om te geven
 

‘Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moeten jullie geven.’ De laatste zin van een stuk evangelietekst is dikwijls de titel. Dat waar het eigenlijk om gaat.
Na een pastorale tocht door Brazilië was ik erg geraakt tijdens een eucharistieviering. Het was een aangrijpende viering in een christelijke basisgemeenschap. Iedereen zong uit volle borst mee. Velen baden een spontane voorbede, recht uit het hart. Men bad uit overtuiging, dat kon je zo zien. De vredeskus was een warme omhelzing. We gaven de hosties en de wijn aan elkaar door. Bij de slotzang legden we de hand op de schouders van wie naast ons stond. Onverwacht nam een vrouw het woord. Ze zei hoe dankbaar en blij ze waren dat ik bij hen was geweest, en dat alle deuren open stonden als ik ooit terugkwam. Ik zou me weer thuis mogen voelen bij hen. Ik wist dat dit geen loze woorden waren. Zij, die zelf zo weinig hadden, gaven ‘om niets’.
Stiekem heb ik al mijn reservekleren achtergelaten. De zuster zou ze wel terechtbrengen.

Wie zich als volgeling van Jezus Christus gezonden weet, staat  op een andere manier in het leven: met een open hart en gevende handen, omdat we zelf alles van God ontvangen hebben ‘voor niets’. God is pure genade. Aan hem danken we ons bestaan. Ook al zijn we broze, kwetsbare, zwakke en sterfelijke mensen, God vindt ons ‘goed’. In liefde blijft hij bij ons. Zijn naam is ‘Ik zal er zijn voor jou'. Ik zal er zijn ‘om niets’. We moeten Gods liefde niet verdienen door allerlei prestaties, door penitentie, bedevaarten, veel gebeden of ‘goede werken’. God zit niet te wachten tot we hem iets aanbieden. God moet niet vermurwd worden. Jezus, die Gods liefde vermenselijkte, heeft het getoond. Hij koos zijn leerlingen niet onder diegenen die veel te bieden hadden, die geleerd, begaafd of rijk waren. De meesten waren ongeletterde vissers. Er is ook een tollenaar bij: Matteüs. Die had geen onbesproken verleden. Tollenaars waren woekeraars en afpersers. Er is ook een Simon, de ijveraar, wellicht een guerilla-strijder, met een grote mond en een zwaard in zijn gordel. We lezen ook de naam van Judas Iskariot. Die zal wel een bedenkelijk karakter gehad hebben. Jakobus en Johannes werden ‘donderzonen’ genoemd. En wat heeft ‘het-haantje-vooruit’ Simon Petrus gedaan tot driemaal toe? Is bewust verloochenen niet zeker zo erg als verraden?

Meer dan ooit toonde Jezus die liefde ‘om niets ‘, door zijn belangeloze barmhartigheid. Als Hij stond tegenover zgn. zondaars  vroeg hij niet eerst berouw, bekering, boete, schuldbelijdenis of wat dan ook. Jezus bood altijd eerst zijn vriendschap aan. Ook van zondaars hield hij onvoorwaardelijk, zonder voorwaarden, ‘om niets’. Denk aan de overspelige vrouw, aan Zacheüs, aan de parabel van de verloren zoon. Er wordt wel verwacht dat wat wij ‘voor niets’ ontvangen ook ‘voor niets’ aan onze medemensen geven.

In een gezin met vier kinderen is een van de zonen verslaafd geraakt aan drugs. Op de middelbare school kwam hij in contact met een vriend uit de buurt, die hem aan drugs hielp. De ouders moesten het aanzien dat hun zoon zijn toekomst vernielde. Ze waren uiterst teleurgesteld en wilden niets meer van hem weten. Een van de dochters is wel met haar broer verbonden gebleven. Ze probeert de ouders duidelijk te maken dat het nog veel erger wordt als ze hun zoon in de steek laten. Ze blijft aandringen. Enkele maanden later gaan de ouders de zoon opzoeken. Heel zijn situatie, zijn verhaal, zijn tranen en zijn diepe eenzaamheid raken de ouders zo intens, dat er een echte verbondenheid tot stand komt. Geleidelijk ontstaat er hoop op verlossing uit de verslaving.

De woorden ‘voor niets’, gratis, belangeloos, onvoorwaardelijk, onbaatzuchtig zijn typische woorden die christenen in de mond nemen. Ze in daden omzetten is wel zeer moeilijk. Dikwijls maken we mee dat mensen die veel goed doen, op een bepaald moment zeggen: ’Ik kreeg nog niet eens een vriendelijk woord, zelfs geen dank u.’ In dat geven ‘om niets’ zit dan toch nog dikwijls een verborgen verlangen naar ‘iets’, hoe weinig ook. Dat is heel menselijk.

Vraagt het evangelie soms niet méér dan een mens kan doen?! Eens hoorde ik op de televisie een ongelovige humanist zeggen dat de zuiverste vorm van naastenliefde de palliatieve zorg is. Omdat stervende mensen, zeker als ze in coma zijn, niets meer kunnen terugdoen.

In dit evangelie horen we hoe Jezus zijn apostelen, en ons dus ook, zendt om zieken te genezen. We zijn natuurlijk geen dokters. Zij bestrijden de ziekte van buitenaf met medicatie en therapieën. Wij kunnen zieken helpen om zich van binnenuit weer op te richten, om midden in het lijden een weg te vinden waardoor ze levenskracht krijgen om het leven nog te omhelzen. Zieken kunnen zich anders en beter voelen als ze verlost worden van angst, wanhoop of eenzaamheid. Liefdevolle zorg, steun en bemoediging kunnen daar veel aan doen.

Er staat dat de apostelen, en wij dus ook, doden moeten opwekken. Dat kunnen we niet. Maar we kunnen misschien de dood terugdringen. Er is op vandaag, ook onder kinderen en jongeren, veel zelfdoding. Mensen kunnen zozeer verdrinken in pijn of alle houvast verliezen dat ze de zin in het leven verliezen. Meestal staan ook wij dan machteloos. We kunnen de wanhoop niet keren, maar we kunnen met geduld aanwezig zijn, wachten, en niet vluchten voor hun onredelijkheid. Het is een zware opdracht.

Volgelingen van Jezus worden ook gezonden om melaatsen te reinigen. In Jezus’ tijd werden ze al geïsoleerd. Vele eeuwen later werden ze gedumpt op een verlaten eiland, ver van de bewoonde wereld, zoals op Molokai. Vandaag zijn mensen met Alzheimer, zwaar drugverslaafden, jeugdige deliquenten, mensen zonder papieren, aidspatiënten… de geïsoleerden in allerlei centra. Als we voor hen direct niets kunnen doen, dan misschien wel voor hun ouders en familie?

Er is tenslotte sprake van kwade geesten uitdrijven. Destijds waren er paters-exorcisten die mensen gingen 'belezen'. We horen daar nog weinig over. Maar er zijn niet minder mensen die bezeten zijn door een duivelse geest. Iedereen denkt  aan Dutroux, Fourniret en consoorten. Maar we kunnen het soms ook niet laten om mensen te demoniseren, op grote en kleine schaal. We maken soms mensen uit onze omgeving zwart door roddelpraat. Zelfs van Jezus zeiden sommigen dat hij door de duivel bezeten was! Dit moet ons waarschuwen. Soms worden totaal onschuldigen ten onrechte beklad en beschuldigd. We moeten altijd eerst in eigen hart kijken.

Jezus zei, bij monde van Matteüs, dat de menigte uitgeput en hulpeloos neerlag, als schapen zonder herder. Zijn de herders op vandaag, de kerkleiders, priesters, diakens, leden van het pastoraal team, wel genoeg op zoek in die menigte? Er zijn toegewijde mannen en vrouwen die zich laten raken door de nood van hun medemensen en die, innerlijk bewogen, dienstbaar willen zijn aan de christelijke gemeenschap. Worden ze gezocht en aangesproken? Jezus deed het. Hij had er méér dan twaalf. Maar twaalf is een symbolisch getal voor de twaalf stammen van Israël. In Jezus’ tijd waren er nog maar twee over. Jezus wilde Israël weer herstellen tot het uitverkoren volk van God, dat onder zijn heerschappij leeft.
Wat schiet er over van de kerk hier bij ons? Er is veel op te bouwen en te vernieuwen! Maar het zal altijd vooral gaan om christenen die zichzelf geven ‘voor niets’. Hun getuigenis geeft ons hoop om het tij te doen keren.

Rob Moens, dominicaan, Genk

 
  Prekenlijst